Christus gaat
het heilige
van het hemels
Heiligdom
binnen
(16)
Psalmen over
Jezus
Vele psalmen
zijn
profetieën of
ervaringen,
die Jezus
gedurende Zijn
aardse leven
meemaakte.
“Alles wat
over Mij
geschreven
staat... in de
psalmen”,
verklaarde
Jezus
(Luc.24:44).
Met betrekking
tot Zijn
ingaan in het
heiligdom in
de hemel
zullen we een
moment
stilstaan bij
de psalmen
22,23,24.
De 22e psalm
(ook wel
Golgotha-psalm
genoemd),
begint met de
angstige kreet
van Jezus:
“Mijn God,
Mijn God,
waarom hebt
Gij Mij
verlaten.”
Marc.15:24. De
psalm eindigt
met, “omdat
Hij het gedaan
heeft” of
zoals het
hebreeuws het
zegt: “Het is
volbracht.”
Joh.19:30.
De 23e psalm
wordt wel “de
opstandingspsalm”
genoemd, omdat
de opstanding
volgt op Zijn
wandeling door
het dal van de
schaduwen des
doods. Het is
een profetie
van de niet
uitgesproken
ervaringen van
Jezus, toen
Hij door het
dal ging. Het
brengt een
wonderbaarlijke
triomf van
geloof tot
uitdrukking,
vooral in de
slotwoorden:
“Ik vrees geen
kwaad, want
Gij zijt bij
mij
Uw
stok en Uw
staf, die
vertroosten
mij
Gij richt voor
mij een dis
aan,
voor de ogen
van wie mij
benauwen
Gij zalft mijn
hoofd met olie
mijn beker
vloeit over
Ja, heil en
goedertierenheid
zullen mij
volgen,
al
de dagen van
mijn leven.
En
ik zal in het
huis des Heren
verblijven,
tot in lengte
van dagen.”
Psalm 23:4-6.
De 24e psalm
wordt ook wel
de
“hemelvaartpsalm”
genoemd. Deze
psalm van
triomf is het
hoogtepunt van
de twee
voorafgaande.
Het voorspelt
iets van de
wonderlijke
ervaringen van
Christus’
hemelvaart van
de voorhof van
deze aarde
naar het
hemels
heiligdom in
de hemel zelf
(Hebr.9:24).
Hun vervulling
in A.D. 31
De ervaringen
van deze
profetische
psalmen werden
op het laatste
Paas- en
Pinksterfeest
vervuld in de
kruisiging,
opstanding,
hemelvaart en
inhuldiging
van Jezus,
toen het
heilige werk
van de
priesters in
het aardse
heiligdom
eindigde en de
bediening van
Christus als
Hogepriester
in het hemels
heiligdom
begon.
In A.D. 31
werd het
Paasfeest
gevierd, en
niet alleen
het feest dat
door de Joden
in het
algemeen wordt
gehouden, maar
ook het Pascha
dat door Jezus
en de
discipelen een
dag eerder
werd gevierd.
Het eerste
werd op de
vastgestelde
tijd, in de
avond van Abid
14, voorbereid
en op de
daaropvolgende
avond (Abid
15) gegeten.
Gedurende
vijftien
eeuwen, sinds
de instelling
van het Pascha
ten tijde van
de Exodus,
werd deze
praktijk
gevolgd.
«Vanuit dit
gezichtspunt
hebben
sommigen
verondersteld
dat de
maaltijd die
Jezus en de
twaalven samen
hielden, niet
het regelmatig
terugkerende
Pascha uit het
verleden was.
Het evangelie
maakt echter
duidelijk, dat
het inderdaad
“het Pascha”
was dat zij
samen aten.
(zie
Marc.14:12,16,17;
Luc.22:7,8,13,15;
DA 642,653;
WdE 563,572)»
Raymond F.
Cottrell, in
de R&H, Juni
9-1955 blz.8.
Deze
verklaring
moet men in
gedachten
houden; want
het is de
sleutel naar
andere punten
die soms
verkeerd
begrepen
worden.
Wanneer werd
dit laatste
Pascha
voorbereid en
gegeten? Toen
het feest van
de ongezuurde
broden
naderde, dat
het Pascha
wordt genoemd,
vroeg Jezus
Zijn
discipelen het
voor te
bereiden en
het Pascha te
eten. Op de
eerste dag van
het feest,
toen zij het
Paaslam
slachtten,
maakten zij
het gereed
voor het
Pascha
(Marc.14:12;
Luc.22:7,13).
Deze
voorbereiding
wordt op de
donderdag Abid
13 getroffen,
een dag voor
de
vastgestelde
tijd, de
historische
tijd voor het
slachten van
het Paaslam op
Abid 14
(Exodus 12:6).
Toen de avond
was gekomen,
het begin van
Abid 14, zat
Hij met de
twaalf aan en
zij aten
(Matt.26:20,21).
Dit was ook
een dag eerder
voor de vaste
tijd van het
eten van het
Pascha.
Volgens de
evangeliën
viel de 14e
Nisan (Abid)
op vrijdag in
het jaar A.D.
31, het jaar
van de
kruisiging.
Waarom Jezus
het Pascha een
dag eerder
vierde
Waarom week
Jezus af van
een
eeuwenlange
goedgevestigde
gewoonte? De
reden om dit
zo te doen
was, dat Zijn
dood samen
moest vallen
met het
slachten van
het Pascha-lam
wat dus een
volmaakte
vervulling van
het zinnebeeld
zou zijn. Een
andere reden
is: “Jezus
wist, dat Zijn
uur gekomen
was dat Hij
deze wereld
zou verlaten
en tot de
Vader zou gaan
en omdat Hij
de zijnen
liefhad.” Tot
het einde
wenste Hij hen
voor te
bereiden op
die
gebeurtenis
(Joh.13:1,19).
Verder, omdat
de dood van
het Paaslam de
dood van
Christus “de
Verlosser van
de wereld”
symboliseerde.
Het was een
altoosdurende
inzetting,
opdat het
verlossingswerk
nooit vergeten
zou worden
(Ex.12:17).
Nu het Pascha
als zinnebeeld
op het punt
stond te
verdwijnen,
was het
noodzakelijk
dat een andere
instelling die
plaats innam,
om een
blijvende
herinnering te
zijn aan die
verlossing.
Het ligt voor
de hand, dat
dit vóór de
kruisiging
moest
gebeuren. Want
toen de dag
voorbij was
lag Hij in het
graf; en in
dat geval zou
dan een
belangrijke
schakel in het
verlossingsplan
ontbreken. Om
al deze
redenen was
het
noodzakelijk,
dat Christus
het Pascha zou
eten, en dat
vóór de
vastgestelde
tijd. Deze
redenen zijn
allen
samengevat in
Zijn woorden:
“Ik heb vurig
begeerd dit
Pascha met u
te eten voor
Ik lijd.”
Luc.22:15.
De instelling
van het heilig
avondmaal
Daar het
Pascha als
geheiligde
instelling op
het punt stond
te verdwijnen,
stelde Jezus
het avondmaal
in, ter
gedachtenis
aan de
gebeurtenis
waarvan het
Pascha een
zinnebeeld was
geweest (PP
539E; PP
489N).
Het Pascha-lam
wees vooruit
naar Zijn
dood. Het
heilig
avondmaal wees
terug als
gedachtenis
aan Zijn
gebroken
lichaam en
vergoten bloed
(Luc.22:16-20).
Vóór de
discipelen
bereid waren
deel te nemen
aan de
geheiligde
symbolen van
het avondmaal,
moesten hun
harten eerst
gereinigd
worden van
alle
zelfzuchtige
ambitie en van
alle onheilige
gevoelens
jegens
elkander.
Ieder moest
eerst
“zichzelf
onderzoeken.”
1 Cor.11:28.
Om deze reden
was een
voorbereidingsdienst
nodig om
nederigheid en
onzelfzuchtige
dienst te
leren. Als
zinnebeeld van
een hogere
reiniging der
ziel (DA 646;
WdE 567),
begon Jezus de
voeten der
discipelen te
wassen. Het
doel van deze
nederige
dienst, van de
kant van hun
Heer en
Meester, was
hun harten te
reinigen van
alle kwade
gedachten en
daarin
gewilligheid
voor nederige
christelijke
dienst te
planten.
Zonder deze
reiniging kon
het hart niet
in gemeenschap
met Christus
treden en
bereid zijn om
gemeenschap
aan Zijn
lichaam en
bloed te
hebben
(Joh.13:4-17;
1
Cor.11:26-29;
DA 650; WdE
569). Zij
zouden “op
onwaardige
wijze eten en
drinken en
dientengevolge
zich
bezondigen aan
het lichaam en
bloed des
Heren.” Toen
Jezus deze
dienst had
beëindigd,
stelde Hij de
voetwassing in
als een
geheiligde
instelling,
voorafgaande
aan het heilig
avondmaal, met
de woorden:
“Ik heb u een
voorbeeld
gegeven, opdat
gij evenzo
doen zult.”
Joh.13:15. Een
instelling om
voort te
zetten tot het
beeld het
tegenbeeld
bereikt; de
hogere
reiniging, als
al de
verlosten zijn
gewassen in
het bloed van
het Lam.
Jezus vervulde
de
zinnebeelden
van het
Pascha-Lam
De 14e Nisan
was een lange
bange dag van
lijden die
haar
hoogtepunt
vond in de
kruisiging.
Diezelfde
nacht zochten
de
overpriesters
hoe zij Hem
door list
gevangen
konden nemen
en hoe zij Hem
konden
overleveren
aan de dood
vóór het
Pascha
(Marc.14:1,10,11,43-46).
Zij kochten
Judas om, om
Hem te
verraden. Het
was dezelfde
Judas die een
uur tevoren
zijn voeten
liet wassen.
“Want uit nijd
heeft hij Hem
overgeleverd
aan een bende
knechten van
de
overpriester”
(Matt.27:16),
die, nadat zij
valse getuigen
gevonden
hadden, Hem
bonden en naar
de
hogepriester
brachten
(Joh.18:3,12,13).
Zodra het
licht was werd
Hij vanaf het
paleis van de
hogepriester
naar de raad
gebracht, waar
Hij (omdat hij
gezegd had de
Zoon van God
te zijn) door
de
hogepriester
van
godslastering
beschuldigd
werd en om
deze reden des
doods schuldig
werd geacht
(Luc.22:66-71;
Matt.26:63-66).
Toen het nog
vroeg was,
werd Hij in de
rechtszaal van
Pilatus
geleid. De
priesters zelf
gingen daar
niet binnen,
omdat zij zich
niet wilden
verontreinigen
waardoor zij
niet aan het
Pascha deel
zouden kunnen
nemen
(Joh.18:28).
Zij schenen
niet te
begrijpen, dat
de dingen die
een mens
bezoedelen uit
het hart komen
zoals kwade
gedachten,
moord, valse
getuigenis,
laster enz.
(Joh.18:28;
Matt.15:18-20).
Omdat zij de
rechtszaal
niet binnen
konden gaan
overreedden
zij de menigte
die zij
beïnvloed
hadden,
Christus als
een
onruststoker
en een
bedrieger te
beschouwen en
te schreeuwen:
“kruisigt
Hem”. Een
kreet waaraan
zij zelf, toen
Hij naar
buiten werd
gebracht, met
luide stem
deelnamen
(Matt.27:20-25,63;
Joh.19:6;
Luc.23:18,23).
Gedurende Zijn
verhoor en
daarna werd
Hij gegeseld,
gestompt,
bespot en
gehoond. Zijn
vervolgers
spuwden Hem in
het gelaat en
sloegen Hem op
het hoofd. Zij
zetten Hem een
doornen kroon
op en deden
Hem een
purperen
mantel aan,
terwijl zij
spottend
riepen:
“Gegroet, Gij
koning der
Joden.”
Matt.26:27;
27:28-31. Dit
alles en veel
meer verdroeg
Hij kalm.
Inplaats van
te worden
overspoeld
door wreedheid
en onrecht,
dacht Hij niet
aan Zichzelf
maar aan
anderen; en
één van zijn
laatste
handelingen
was de zorg
voor Zijn
moeder
(Joh.19:25-27).
Zelfs toen Hij
aan het kruis
was genageld,
gingen Zijn
vijanden door
met beledigen
en beschimpen.
En hoewel Hij
daar hing
temidden van
Zijn angst en
lijden, had
Hij geen
onvriendelijke
gevoelens voor
hen, maar bad:
“Vader vergeef
het hun, want
zij weten niet
wat zij doen.”
Luc.23:33,34.
In de bittere
kwellingen
vervulde Jezus
geheel, zowel
wat de
gebeurtenis
als wat de
tijd betreft (GC
399; GS 373),
de
zinnebeelden
van het Pascha
en het brood
der
verdrukking
(Deut.16:3,4)
en de bittere
kruiden. Hij
Zelf was het
Lam dat
geroosterd
werd. Laat uw
verbeelding
over elke
scéne gaan.
Wanneer we
nadenken over
Zijn offer
voor ons, zal
ons vertrouwen
in Hem vaster
worden, onze
liefde
levendiger, en
we zullen méér
vervuld worden
van Zijn
Geest. Wanneer
we op den duur
gered willen
worden, zullen
we lessen van
berouw en
nederigheid
moeten leren
aan de voet
van het kruis
(DA 83; WdE
58). Het lijkt
bijna
ongeloofwaardig
dat de Joden,
(in’t
bijzonder de
leiders van de
tempeldienst)
schuldig zijn
aan het ter
dood brengen
van Hem, naar
wie alle riten
van de
offerdiensten
eeuwenlang
hadden
verwezen om
hun geloof in
Hem als hun
Verlosser te
tonen. Maar
“de gehele
raad” van het
Sanhedrin
(Marc.15:1),
was
vastbesloten
Hem voor het
Pascha ter
dood te
brengen; want
indien het
verhoor en de
kruisiging
niet terstond
plaats vonden,
dan zou een
week uitstel
noodzakelijk
zijn in
verband met de
viering van
het Pascha (DA
703; WdE 612).
Het geheim van
Zijn
overwinning
Hoe kon Jezus,
onder deze
meest
beproevende
omstandigheden,
zo volledig
zonder zonden
zijn? Was het
niet omdat Hij
bekend was met
de Schriften?
Toen Hij als
een Lam ter
slachting werd
geleid wist
Hij, dat Zijn
uur gekomen
was. En hoewel
Hij mishandeld
en verdrukt
werd, deed Hij
Zijn mond niet
open
(Jes.53:7).
Hij wist dat
Judas Hem zou
verraden voor
dertig
zilverlingen,
“een heerlijke
prijs.”
Zach.11:12,13.
Hij wist dat
de
overpriesters
Hem uit nijd
en door list
aan de
kruisdood
zouden
overleveren
(Psalm 69:4;
Marc.15:10;
Matt.27:18).
Hij wist, dat
in Zijn dorst
Hem zure wijn
te drinken zou
worden gegeven
(Psalm 69:21).
In feite,
begreep Hij de
hele situatie
vanuit de
Schriften.
Toen Hij dan
ook door de
overpriesters
en oudsten
vals
beschuldigd
werd,
antwoordde Hij
niets... geen
enkel woord
(Matt.27:12,14;
Marc.15:3,5).
Hij wist welke
dood Hij moest
sterven
(Joh.12:32,33;
18:11) en dat
de Schriften
vervuld
moesten worden
(Matt.26:52-56;
Joh.13:18).
Met een kalm
geloof en
standvastig
vertrouwen in
God, gaf Hij
zich, zonder
reserve, aan
Zijn
vervolgers
over. Dit
alles deed Hij
voor uw
verlossing en
de mijne. Het
was om de
vreugde, (de
vreugde van
het zien van
de geredde
zielen) die
voor Hem lag,
dat Hij het
kruis verdroeg
en schande
verachtte
(Hebr.12:2).
Hij stond op
het punt om
onze
genadevolle en
getrouwe
Hogepriester
te worden en
het was door
lijden, dat
Hij volmaakt
werd gemaakt.
Omdat Hij op
alle punten
verzocht werd
zoals wij
verzocht
worden (doch
zonder te
zondigen), kon
Hij meevoelen
met onze
zwakheden en
is Hij bekwaam
hen te helpen
die verzocht
worden
(Hebr.4:14,15;
2:18).
Jezus stierf
niet geheel
door de
kruisiging,
want toen de
soldaten
kwamen om Zijn
dood en die
van de andere
gekruisigden
te verhaasten,
vonden zij Hem
reeds dood
(Joh.19:33).
Hij stierf aan
een gebroken
hart, want van
Hem is
geschreven:
“De smaad
heeft mij het
hart
gebroken.”
Psalm 69:21.
Onze tijd van
test en
beproeving
staat voor de
deur en indien
we dag bij dag
het voorbeeld
van Jezus
volgen met de
Schriften als
onze veilige
gids, dan
zullen we uit
de strijd te
voorschijn
komen “meer
dan
overwinnaars
door Hem die
ons
liefheeft.”
Rom.8:35-39.
Jezus het ware
Pascha-Lam
Jezus het ware
Pascha-lam,
het Lam van
God dat de
zonden der
wereld
wegneemt
(Joh.1:29),
werd op het
zesde uur van
de 14e Nisan
gekruisigd en
stierf op het
negende uur
(Ex.12:6;
Marc.15:33-37),
letterlijk
tussen twee
avonden in.
Een volmaakte
vervulling.
Niet slechts
met betrekking
tot de
gebeurtenis,
maar ook
m.b.t. de tijd
(GC 399; GS
373). Toen de
luide kreet
van de lippen
van Jezus kwam
“Het is
volbracht”,
deden de
priesters
dienst in de
tempel. Het
was het uur
van het
avondoffer.
Het lam dat
Christus
verzinnebeeldde
was gebracht
om te worden
geslacht. De
aarde beefde
en schudde en
met een
scheurend
geluid
scheurde het
binnenste
voorhangsel
van de tempel
door een
ongeziene
hand, van
boven naar
beneden
(Matt.27:50,51).
Het heilige
der heiligen
is niet langer
heilig. Beeld
en tegenbeeld
hebben elkaar
ontmoet in de
dood van
Jezus, de Zoon
van God (DA
756,757; WdE
663).
En toch,
hoewel de
tempelleiders
getuige waren
van al deze
dingen, waren
hun
geestelijke
ogen zo
verblind, dat
zij dit niet
erkenden als
het einde van
de
tempeldiensten.
Zij waren
inderdaad
blinde
leidslieden
(Matt.23:13-16).
Met Zijn bloed
had Jezus de
papieren
getekend die
het mensdom
vrijmaakten (MH
90). De
doodsklok voor
satan had
geklonken (GC
503; GS
463,464). Zijn
dood was ‘s
hemels
aankondiging
dat de
betekenis van
het Pascha (DA
723; WdE 631;
PP 539E; PP
489N), en zijn
viering
voortaan een
lege vorm zou
zijn: een
loutere
klucht. Het
hele systeem
van offeranden
in de
ceremoniële
wet was
afgeschaft.
Het Pascha dat
Jezus met de
twaalven at,
was inderdaad
het laatste
door God
erkende
Pascha.
Ceremoniële
Sabbatten
afgeschaft
In dit verband
is het
belangrijk dat
we het
onderscheid
begrijpen
tussen de
Sabbatten van
de jaarlijkse
ceremoniële
feesten, en de
Sabbat van de
Here uw God
welke deel is
van Zijn
eeuwige wet,
de tien
geboden. Van
de eerste
waren er zeven
per jaar. Van
de laatste
waren er 52
per jaar,
iedere week
één. Omdat
ieder van die
vroegere
Sabbatten
eenmaal per
jaar
voorkwamen,
werden zij ook
wel jaarlijkse
Sabbatten
genoemd. De
laatste is de
wekelijkse
Sabbat, iedere
zevende dag
van de week.
De wekelijkse
Sabbat is een
herinnering
aan de
schepping
(Gen.2:1-3;
Ex.20:8-11).
Het is geen
zinnebeeld,
wijzende naar
de dood van
Christus,
zoals de
offerande van
de ceremoniële
of jaarlijkse
Sabbatten. Het
heeft geen
verbinding met
de jaarlijkse
zeven
ceremoniële
Sabbatten.
Deze laatsten
staan buiten
de Sabbat van
de Here
(Lev.23:37-38).
Zij worden
allen opgesomd
in
Lev.23.
-Twee met
Pascha, één op
de eerste dag
van het feest
en de andere
op de laatste
dag.
Lev.23:4-8.
- Eén op de
dag van
Pinksteren, de
50e dag vanaf
de morgen
nadat het
Pascha was
gegeten.
Lev.23:15,21.
- Twee
verbonden met
Grote
Verzoendag, de
eerste bij het
blazen op de
trompetten op
de 1e dag
van
de zevende
maand om de
nadering van
de verzoendag
aan te
kondigen (vers
24,25), de
andere op
Grote
Verzoendag, de
10e dag van de
zevende
maand
(vers 27-36).
- Twee op het
Loofhuttenfeest,
één op de
eerste en de
ander op de
laatste dag
van het feest
(vers 34-39).
Deze dagen
werden
“Sabbatten”
genoemd, omdat
er aangaande
ieder een
bevel was:
“Gij zult een
heilige
vergadering
hebben en gij
zult daarop
geen dagelijks
werk doen. Het
zal voor u een
Sabbat van
rust zijn”.
Lev.23:7,8,32.
Met deze lijst
zal het
duidelijk
worden, dat de
wekelijkse
Sabbat altijd
op de zevende
dag valt maar
dat deze
jaarlijkse
Sabbatten niet
op een vaste
dag in de week
vielen, maar
op een
bepaalde dag
in de maand.
Precies zoals
25 december of
30 april, of
iemands
geboortedag
elk jaar op
een andere dag
valt. Wanneer
een
ceremoniële
Sabbat samen
viel met de
wekelijkse
Sabbat (en dat
gebeurde eens
in de zeven
jaar) dan was
dat een
dubbele Sabbat
en werd daarom
“groot”
genoemd -
“want de dag
van die Sabbat
was groot.”
Joh.19:31.
Vele oprechte,
maar niet goed
geïnformeerde
christenen
hebben
geleerd, dat
de wekelijkse
Sabbat (de
Sabbat van het
vierde gebod,
Ex.20:10) aan
het kruis werd
genageld bij
de dood van
Christus en
dat ter ere
van Zijn
opstanding de
zondag, de
eerste dag van
de week, de
wekelijkse
Sabbat van het
Nieuwe
Testament is.
Maar er is in
de Bijbel
nergens enig
gezag voor
deze
veronderstelde
verandering.
Neem u in
acht, want het
is één van de
listen van de
duivel
(Ef.6:11), om
de mensen van
de eeuwige wet
van God af te
trekken. De
Sabbatten die
in verband met
de jaarlijkse
feesten werden
waargenomen,
waren een deel
van de
ceremoniële
wet die het
offer van
Christus op
Golgotha
voorafschaduwden,
en die bij
Zijn dood hun
tegenbeeld
ontmoetten en
zo automatisch
eindigden. Dit
zijn de
Sabbatten die
aan het kruis
werden
genageld en
afgeschaft.
Dit is niet zo
met de Sabbat
van het vierde
gebod, die een
deel is van
Gods eeuwige
wet en nooit
zal ophouden.
Deze zal
worden gevierd
door allen die
door de
poorten de
heilige stad
binnengaan en
die
uiteindelijk
een eeuwig
tehuis zullen
hebben op de
nieuwe aarde
(Openb.22:14;
Jes.66:23).
Jezus de ware
Beweeggarve
Toen de Sabbat
naderde, werd
het lichaam
van Jezus
voorzichtig
van het kruis
genomen en in
Jozefs nieuwe
graf gelegd
(Joh.19:38-42).
Hier rustte
Hij stil
gedurende de
heilige
Sabbat. Zijn
vervolgers en
moordenaars
hadden hun
boze voornemen
volbracht, en
terwijl Jezus
in het graf
lag vierden
zij de
hoogtijdag van
het Pascha,
die reeds zijn
betekenis
verloren had.
Zoals Israël
een grote
blijde dag had
bij de
bevrijding uit
de Egyptische
slavernij en
zong: “De Here
heeft heerlijk
getriomfeerd”
(Ex.15:1,21),
zo triomfeerde
de hele hemel
over de
overwinning
van de Heiland
(DA 758,769;
WdE 664,675).
Een kreet van
triomf klonk
door iedere
wereld!
(PP 70E; PP
43N).
Vroeg op de
zondagmorgen
(de 16e Abid),
terwijl het
nog donker
was, kwamen de
vrouwen naar
de spelonk om
het lichaam
van Jezus met
fijne kruiden
te zalven;
maar Hij was
er niet. Twee
engelen
stonden bij
hen in witte
blinkende
kleding
(Luc.24:4).
Eén van hen,
de engel
Gabriël, had
de steen
weggerold en
vertelde hen
dat Hij
opgestaan was
(Matt.28:1-6;
DA 780; WdE
686). Zij
brachten het
nieuws snel
naar de
discipelen.
Zodra de
soldaten
hersteld waren
van het
verblindende
licht dat door
de engelen op
hen was
gevallen,
hetgeen hen
had doen
verstenen,
gingen zij
naar de
overpriesters
en vertelden
hen wat hun
was overkomen.
Bevend gaven
de priesters
hen een grote
omkoopsom aan
geld en zeiden
tot hen: “Zeg,
de discipelen
zijn ‘s nachts
gekomen en
hebben hem
gestolen
terwijl wij
sliepen.”
Matt.28:11-15;
DA 782; WdE
688.
Waarlijk, wat
zij hadden
gevreesd was
gebeurd, zodat
hun laatste
dwaling
inderdaad
erger was dan
de eerste
(Matt.27:62-66).
Toen Jezus bij
Zijn dood het
zinnebeeld van
het Pascha-lam
vervulde, werd
de verlossing
gewaarborgd
voor allen die
het offer
aanvaarden.
Maar hoewel
gewaarborgd,
was het op die
tijd nog niet
voltooid. Het
zal voltooid
zijn wanneer
het decreet
uitgaat: “wie
rechtvaardig
is, hij
bewijze nog
meer
rechtvaardigheid;
wie heilig is,
hij worde nog
meer
geheiligd.”
Openb.22:11,12.
Bij Zijn
opstanding
vervulde
Christus het
zinnebeeld van
de beweeggarve
van de
eerstelingen
(Lev.23:16).
Hij was de
ware
beweeggarve,
de “Eersteling
van de
opstanding.” 1
Cor.15:20. En
de opstanding
van hen die in
de Here
stierven was
gewaarborgd.
Het zal
voltooid
worden bij de
eerste
opstanding
(Openb.20:6).
Beide beelden
zijn vervuld,
niet alleen
m.b.t de tijd,
maar ook met
de gebeurtenis
zelf (GC 399;
GS 373).
De veertig
dagen na Zijn
opstanding
Vroeg in de
morgen van
Zijn
opstanding
voer Christus
op naar Zijn
Vader
(Joh.20:16,17).
Hij had Zijn
belofte
gestand
gedaan, dat
Hij Zijn leven
als een
losprijs voor
de gevallen
mens zou
geven. De
Vader
aanvaardde de
offerande en
bekrachtigde
het verbond
dat Hij met
Zijn Zoon
gemaakt had in
Hun raad des
vredes
(Zach.6:13).
Toen dit
verbond was
bezegeld ging
Christus Zijn
middelaarswerk
beginnen (DA
819; WdE 717).
Toen keerde
Hij terug naar
Zijn
volgelingen in
een wereld van
zonde.
Gedurende
veertig dagen
na Zijn
opstanding
bleef Christus
op de aarde,
Zichzelf
levend
vertonende,
voor velen een
onomstotelijk
bewijs, en
sprekende tot
de discipelen
betreffende de
dingen van het
koninkrijk
Gods
(Hand.1:3).
Toen die tijd
zijn einde
naderde, beval
Hij Zijn
discipelen
Jeruzalem niet
te verlaten,
maar te
wachten tot
zij met de
Heilige Geest
gedoopt zouden
zijn en kracht
om te getuigen
hadden
ontvangen
(vers 4,5,8).
Dit was de
vervulling van
de belofte,
die Hij hen
voor Zijn dood
had gegeven:
“Het is beter
voor u dat Ik
heenga, anders
kan de
Trooster niet
tot u komen,
maar als Ik
heenga, dan
zal Ik Hem tot
u zenden”.
Vanaf dat
moment is de
Trooster, de
Heilige Geest,
de
vertegenwoordiger
van Christus
op aarde
(Joh.16:7,13,14).
Deze veertig
dagen
eindigden op
de 25e dag van
de tweede
maand.
De heilige
plaats van het
hemels
heiligdom
binnengegaan
Na veertig
dagen voer Hij
opnieuw
omhoog, dit
maal om Zijn
werk als
Priester en
Middelaar in
de hemel der
hemelen aan te
vangen (DA
757;
Hebr.4:19,20;
GC 393). In
triomf zoals
geen
overwinnaar
ooit zal
kennen, voer
Hij omhoog.
Maar Hij ging
niet alleen.
Toen Hij
opvoer, nam
Hij een
menigte
gevangenen mee
(Ef.4:8). Deze
kwamen uit hun
graven na Zijn
opstanding en
gingen de
heilige stad
binnen en zijn
aan velen
verschenen
(Matt.27:50-53).
Christus is de
Eerstgeborene
uit de doden
(Openb.10:17,18)
en deze
verlosten zijn
troffeeën van
Zijn triomf
die Hij aan
Zijn Vader
presenteerde
(Openb.5:8-10;
DA 829,834;
WdE 728,732).
We weten niet
wie dezen
geëerden
waren, maar we
weten dat zij
uit hun graven
zijn opgewekt
in landstreken
waar Abel,
Noach,
Abraham, Isaac,
Jacob, Jozef,
Jesaja,
Jeremia,
Ezechiël,
Daniël,
Esther,
Johannes de
Doper en
andere edele
heiligen waren
begraven
voordat
Christus Zelf
in het graf
werd gelegd.
Zij waren
uitverkorenen
en heiligen
uit iedere
tijd: vanaf de
schepping tot
aan de dagen
van Christus (EW
184). Zij
werden verlost
uit ieder
geslacht taal,
volk en natie
(Openb.5:8-10).
Toen Hij
opvoer van de
voorhof van
deze aarde,
onttrok een
levende wolk
(engelen), Hem
aan hun
gezicht
(Hand.1:19).
Met
vreugdeliederen
werd Hij naar
Zijn Vader in
de hemel
begeleid. Twee
engelen, de
meest
verhevenen van
de
engelenschare,
(dezelfde die
bij Zijn
opstanding aan
Zijn graf
waren geweest
en die ook
gedurende Zijn
leven op aarde
bij Hem waren
geweest)
bleven een
moment bij de
discipelen om
hen die achter
waren gebleven
te troosten en
te verzekeren
dat Hij terug
zou komen om
hen tot Zich
te nemen
(Joh.14:1-3;
Hand.1:9-11;
DA 831). Eén
van deze
engelen was
Gabriël, de
engel des
Heren
(Luc.1:11,19).
Hij neemt de
positie in
waaruit
Lucifer
(satan) viel.
Hij was het
die op de
heuvelen van
Bethlehem de
geboorte van
Christus
aankondigde en
die de steen
bij Zijn
opstanding van
het graf
wegrolde (DA
779,780; WdE
685,686).
Aan de poorten
des hemels
Toen de stoet
de poorten van
de hemelse
stad bereikte
werd de
volgende vraag
gesteld die
ongetwijfeld
betrekking had
op de
verlosten die
met Jezus
meegekomen
waren:
“Wie mag de
berg des Heren
beklimmen?
Wie mag staan
in Zijn
heilige
stede?”
Direkt komt
het antwoord:
“Die rein is
van handen en
zuiver van
hart
Die zijn ziel
niet op
valsheid
richt, noch
bedriegelijk
zweert.”
Psalm 24:4.
Met dit
antwoord
ontvingen deze
gunstelingen
de zegen van
de Heer (vers
5). Zij waren
voorbereid om
de heilige
Stad binnen te
gaan.
Het
welkomslied
Dan begint die
wonderlijke
welkomszang.
Met verrukking
en overgave
zingen de
engelen tot
hen
daarbinnen:
“Heft, poorten
uw hoofden
omhoog en
verheft u, gij
aloude
ingangen,
opdat de
Koning der Ere
ingaat.” Psalm
24:7. De
wachters
daarbinnen
antwoorden vol
vreugde: “Wie
is toch de
Koning der
Ere?”
Dan komt het
antwoord van
de
begeleidende
engelen: “De
Here, sterk en
geweldig, de
Here sterk in
de strijd.
Heft, poorten,
uw hoofden
omhoog en
verheft u gij
aloude
ingangen,
opdat de
Koning der Ere
ingaat!”
Opnieuw vragen
de engelen
daarbinnen:
“Wie is toch
die Koning der
Ere?” En het
antwoord
klinkt terug:
“De Here der
heerscharen,
Hij is de
Koning der
Ere”. Selah.
Psalm 24:7-10.
In deze
wisselzang,
zingen zij
over en weer
tot de hele
hemel echode
door hun
vreugdevolle
muziek. Selah!
Deze
wonderlijke
beurtzang
eindigt met
het woord “Selah”,
dat in de
muzikale
naamgeving van
het hebreeuws
zo’n
wonderlijke
betekenis
heeft, dat het
nooit
weggelaten mag
worden bij het
lezen. Eén
expert
verklaart dat
het een
uitroep is die
gelijk staat
met
“Halleluja” en
correspondeert
met “het
amen”, dat
veel van onze
lofzangen
afsluit.
Anderen
verklaren dat
het een pauze
aanwijst in de
muziek wanneer
de stemmen
zwijgen,
terwijl de
instrumenten
van het orkest
met meer
kracht tijdens
de pauze
aanzetten.
Anderen zeggen
dat dit
aanduidt dat,
dat wat gezegd
is altijd
onthouden moet
worden, dat
het een woord
van nadruk is,
gebruikt om
gewicht en
belang aan te
geven en te
wijzen op de
waarheid van
wat is
gezongen of
gesproken.
Waarschijnlijk
zijn de
meningen van
al deze mensen
enigermate in
overeenstemming
met de
betekenis van
dit woord, nl.
het algemeen
idee: hier is
iets van
buitengewoon
belang, sta
hierbij stil,
mediteer en
denk er over
na. Welke
betekenis we
ook verkiezen
te aanvaarden,
haar plaatsing
in de 24ste
psalm leidt
tot de
conclusie,
dat, toen de
stoet de
poorten van de
stad bereikte,
zij even voor
een korte
pauze van rust
stilstond.
Toen werden de
poorten van de
stad Gods wijd
geopend en de
engelenmenigte
haastte zich
de stad binnen
temidden van
een
uitbarsting
van
verrukkelijke
muziek (DA
835; WdE 733).
Toen de
engelen die
Jezus
vergezelden
zich aansloten
bij de reeds
aanwezigen in
de stad,
vormden zij
een verenigd
koor van
tienduizend
maal duizenden
engelenstemmen.
Dan in een
toon hoger en
met alle
aangename
variatie’s van
de
slotakkoorden
van een
machtig
oratorium,
scheen heel de
hemel van
vreugde over
te stromen,
toen zij de
grote finale
van het
loflied
zongen:
“Selah! Selah!
Hal-le-lu-ja!
Hal-le-lu-ja!
Hal-le-lu-ja!
Amen...
A-men!”
Met zo’n
vertoon van
verheven
muzikale
kracht mogen
we er zeker
van zijn dat
deze slotjubel
van vocale en
instrumentale
muziek, een
gewicht en een
nadruk gaven
aan één van de
mooiste
muzikale
composities
ooit
geschreven!
Een
Koninklijke
ontvangst
Toen de
eeuwige deuren
openzwaaiden
en de
opgestane
Heiland over
de drempel van
het hemels
heiligdom
stapte, wat
een menigte
stond de
zachtmoedige
en nederige
Heer daar op
te wachten.
Wat een
ontvangst!
Niet slechts
het ontelbare
gezelschap
engelen
(Hebr.12:22)
is vergaderd
om hun
vereerde
Aanvoerder te
eren, maar
hier zijn ook
àlle
vertegenwoordigers
van de niet
gevallen
werelden.
Allen zijn
daar aanwezig.
De hemelse
raad voor wie
Lucifer, God
en Zijn Zoon
had
beschuldigd;
over Hem had
satan gedacht
zijn
heerschappij
te vestigen.
Allen zijn
daar om de
Verlosser
welkom te
heten en zij
verlangen Zijn
triomf te
vieren (DA
833,834; WdE
732). Hier aan
de deur van
het hemels
heiligdom,
(het
tegenbeeld van
de deur van
het aardse
heiligdom, de
werkelijke
poort van de
hemel) is de
Vader Zelf
gekomen, om
Zijn
Eniggeboren en
zo geliefde
Zoon welkom te
heten. Gezeten
op Zijn
geweldige
troon van
onbeschrijfelijke
glorie,
omcirkeld door
de regenboog
van de belofte
en omringd
door
cherubijnen en
serafijnen,
ziet Hij
verlangend uit
naar de komst
van de
Overwinnaar.
In deze
verheven
positie is Hij
de meest
prominente
figuur in deze
grote
vergadering.
Hier ging
Christus eens
en voor altijd
het heiligdom
binnen,
waardoor Hij
een eeuwige
verlossing
verwierf. Hij
ging niet de
heilige plaats
met handen
gemaakt
binnen, (welke
een beeld is
van het ware),
maar in de
hemel zèlf, om
thans, ons ten
goede, voor
het aangezicht
Gods te
verschijnen
(Hebr.9:12,24).
Gods troon;
een bewegende
troon.
Vraagt u hoe
dat kan, dat
Gods troon
toen in het
heilige van
het hemels
heiligdom
verscheen,
inplaats van
in het heilige
der heiligen,
zoals
gesymboliseerd
in het aardse
heiligdom?
Daar het
aardse slechts
een schaduw
was, kon het
niet ten volle
het hemelse
verzinnebeelden
omdat haar
delen zoals de
ark, het
gouden altaar,
de kandelaar
enz. geen
leven in zich
hadden terwijl
de
tegenbeelden
in het hemels
heiligdom vol
van leven en
activiteit
zijn. Gods
troon, het
tegenbeeld van
de ark met het
verzoendeksel,
is een levende
bewegende
troon. Soms
wordt hij op
de drempel van
het huis
gezien, dan
weer voor de
deur en dan
staat hij
boven de
Cherubijnen
(Ezech.9:3,10,18;
Openb.4:1-6).
Waarheen de
Geest gaat
(dat is,
waarheen God
wenst te
gaan),
daarheen gaat
ook de troon
(Ezech.1:12,20).
We moeten
daarom
concluderen,
dat toen
Christus bij
Zijn
hemelvaart het
heilige
binnenging om
Zijn werk in
het hemels
heiligdom te
beginnen (als
Hogepriester),
God met Zijn
levende troon
naar de
drempel van
het huis ging,
(dat is de
deur van de
heilige
plaats), om
Zijn Zoon
welkom te
heten.
Toen Christus
Zijn werk als
Pleiter begon
in het heilige
der heiligen,
werd Gods
troon
verplaatst of
geplaatst
boven de
cherubijnen in
het heilige
der heiligen
(Dan.7.9).
Wanneer
Christus naar
de aarde
terugkomt, zit
Hij op des
Vaders troon:
“gezeten aan
de rechterhand
der Macht.”
Matt.26:64. En
uiteindelijk
op de verloste
aarde, zal de
troon van God
in de stad
zijn, waar
Christus met
de Vader zal
zitten op Zijn
troon
(Openb.22:3;
3:21). Zo is,
vanaf het
begin van
Christus werk
in het hemels
heiligdom,
totdat de
koninkrijken
van de wereld
onderworpen
zullen zijn
aan onze God
en Zijn
Christus
(Openb.11:15),
de troon van
God niet op
een
onveranderlijke
plaats
gevestigd,
maar veranderd
Zijn
verblijfplaats
naar gelang
het werk dit
vereist. Dit
stemt overeen
met de uitleg
van zulke
betrouwbare
autoriteiten
als Uriah
Smith, S.N.
Haskell en
anderen.
Een levende
troon
De troon van
God is het
centrum van
leven en
macht, waaruit
de hemelse
boodschappers
zich als
“wervelwinden”
of
“bliksemschichten”
spoeden om de
goddelijke
boodschappen
over te
brengen
(Ezech.1:4,14).
Zij zijn
dienende
geesten,
uitgezonden
ten dienste
van hen die
erfgenamen der
verlossing
zijn
(Hebr.1:14).
Zij worden
uitgezonden
van Hem die op
de troon zit.
Want vanuit de
troon gaan
niet alleen
bliksemstralen
maar ook
donderslagen
en stemmen als
van een bazuin
(Openb.4:5;
1-10).
In het midden
van de troon,
rondom iedere
zijde, zijn
vier levende
wezens met de
aanblik als
van brandende
vuurkolen en
fakkels en zij
snelden heen
en weer als
bliksemschichten
(Ezech.1:5,13-14).
Zij waren
rondom vol
ogen
(Ezech.10:12;
Openb.4:6). En
hun vleugels
waren met
elkaar
verbonden
(Ezech.1:5,9).
Dit wijst
erop, dat elk
een groep van
wezens vormt.
Johannes zegt
dat de eerste
groep op een
leeuw leek, de
koning der
dieren, de os
zag eruit als
een
dienstknecht,
die de mens in
zijn
totaliteit
voorstelt en
de vliegende
adelaar die
goddelijkheid
symboliseert.
Deze vier
groepen zijn
van de aarde
verlost
(Openb.5:8-10).
Het enige
bijbels
verslag van
een verloste
schare die nu
in de hemel is
staat
opgetekend in
(Matth.27:52,53).
En dat zijn
zij, die uit
hun graven
kwamen na Zijn
opstanding en
met Christus
opvoeren om
Hem als
priesters bij
te staan in
het
sluitingswerk
van de
verlossing
(Openb.5:9,10).
Ieder werd
door een wiel,
een levend
wiel
vergezeld,
want de Geest
van de wezens
was in hen
(Ezech.10:9,17).
Zij waren hoog
en
ontzagwekkend.
Hun velgen
waren rondom
ogen
(Ezech.1:18).
Het was alsof
er een wiel
binnenin een
wiel was. Hun
gehele
lichaam, hun
rug, hun
handen en hun
vleugels en de
raderen waren
rondom vol
ogen, en alle
vier hadden
zij hun wiel
(Ezech.10:10,12).
Van hieruit
bezien lijkt
het dat de
vier wielen
(zoals de vier
levende wezens
groepen zijn
van hemelse
wezens),
gerangschikt
zijn in de
vorm van
wielen of
anders een
deel van de
levende wezens
zelf uitmaken.
Hoe het ook
zijn mag,
zeker is, dat
vleugels en
wielen,
wervelwinden
en
bliksemschichten,
absoluut géén
onbeweeglijkheid
voor stellen.
Ellen White
zegt in II
Schatkamer
371-372 dat de
engelen, de
gemeente in de
hemel, het
binnenste rad
is, en de
gemeente op
aarde het
buitenste rad.
Tot het
binnenste rad
behoren dan
automatisch de
verlosten die
daar reeds
zijn.
Een heerlijke,
verheven troon
Bij de
beschrijving
van de “troon
van God” zegt
Jeremia:
“Troon der
heerlijkheid,
van ouds
verheven,
plaats van ons
heiligdom” en
Jesaja zegt:
“Ik zag de
Here zitten op
een hoge en
verheven troon
en Zijn zomen
vulden de
tempel.”
Jer.17:12;
Jes.6.1. Maar
Ezechiël geeft
de meest
komplete
beschrijving.
Hij zegt dat
boven de
hoofden van de
levende wezens
met hun
wielen, zich
een soort
“uitspansel”
bevond...
waarboven iets
te zien was
dat leek op
een troon...
met daarop een
gedaante die
er uit zag als
een mens
(Ezech.1:22,26).
Deze
verschijning
kan niemand
anders zijn
dan de grote
Jahweh, of
Jezus Die,
samen met Zijn
Vader, op de
troon zit.
Rondom de
troon is
onbeschrijfelijke
helderheid en
heerlijkheid:
schitterende
briljante
kleuren, die
enerzijds de
aanblik hadden
van een
verterend vuur
en anderzijds
de kleur van
lazuursteen
weerspiegelden
(Ezech.1:4,26).
Mozes zei, dat
de troon
rustte op een
plaveisel van
saffier of
lazuursteen
(helderblauw);
net als de
hemel zelf in
al haar
klaarheid
(Ex.24:10). De
wielen hadden
de kleur van
beryl: een
groenblauwe
kleur. De
voeten van de
wezens
fonkelden als
gepolijst
koper
(Ezech.1:7-28).
Rondom de
troon was een
regenboog
(Openb.4:3).
Een regenboog,
glorieuzer en
luisterrijker
dan ooit aan
de hemel
gezien is.
Toen Paulus
werd
opgetrokken in
het paradijs,
zei hij van de
dingen die hij
hoorde en zag:
“Het is
ongeoorloofd
voor een mens
ze uit te
spreken,” of
zoals Moffatt
het zegt:
“Geen
menselijke
lippen kunnen
het herhalen.”
2 Cor.12:4.
Een studie van
de
hoofdstukken 1
en 10 van
Ezechiël en
van Openbaring
4, zal
iedereen
overtuigen dat
menselijke
taal niet bij
machte is het
wonderbaarlijk
samenstel en
de
heerlijkheid
van de troon
van God te
beschrijven!
Voor ons mag
het verwarrend
schijnen, maar
in
werkelijkheid
is alles
volmaakt en
geheel in
harmonie. Voor
deze
schitterende
troon, de
troon van de
Vader in
tegenwoordigheid
van de
engelenstoet,
van al de
engelen des
hemels en de
vertegenwoordigers
van de niet
gevallen
werelden staat
de Zoon van
God.
De inhuldiging
en de kroning
van Christus
Direct na Zijn
hemelvaart
begon de
inhuldiging
van Christus
tot een
heilige
dienst. Een
van de méést
in het oog
springende
feiten was
Zijn kroning.
Hij die voor
korte tijd
beneden de
engelen
gesteld was,
vanwege het
lijden des
doods opdat
Hij voor ieder
de dood smaken
zou, Hij die
(slechts kort
tevoren) de
schandelijke
doornenkroon
voor het
menselijk
geslacht
droeg, symbool
van de vloek
der zonde, is
nu aan de
rechterhand
van de Vader
op de troon
der
heerlijkheid
gezeten
(Ef.1:17,29).
In deze
verheven
positie is Hij
gekroond met
heerlijkheid
en eer (Ef.1;
Hebr.2:9) en
werd Hij
geproclameerd
tot “KONING
DER ERE”.
Psalm 24:7-10.
Dit was Zijn
eerste
kroning. In
den beginne
was Adam voor
een korte tijd
beneden de
engelen
gesteld, maar
niet vanwege
het lijden des
doods; ook hij
was gekroond
met eer en
heerlijkheid
(Psalm 8:5,8).
Hem werd
heerschappij
over de gehele
aarde gegeven.
Door
ongehoorzaamheid
verloor hij de
kroon der ere
en de
heerschappij
over de gehele
aarde. Door
ongehoorzaamheid
kwam hij onder
de macht van
de dood. Toen
werd Jezus “de
Heer van de
hemel,” de
tweede Adam
waarmee Hij
Zijn verbond
met de Vader
vervulde éér
de wereld
geschapen werd
(1
Cor.15:45,47).
Toen Hij op
Golgotha de
overwinning
behaald had en
Hij later
opvoer naar
het heilige
van het hemels
heiligdom,
verwelkomde
Hem de gehéle
hemel als de
“KONING DER
ERE”.
Wanneer de
aarde is
vernieuwd, zal
de hemel naar
de aarde
worden
overgebracht
en het nieuwe
Jeruzalem
(waar de troon
van God is)
zal haar
hoofdstad
zijn: de zetel
van het hele
universum (GC
426,427; GS
398,399). Dan
zal de
verloren
heerschappij
geheel worden
hersteld. De
tweede Adam
zal bezit van
haar nemen en
de
heerschappij
zal op Zijn
schouders zijn
(Jes.9:5). Als
Koning van de
nieuwe aarde
zal Hij in
eeuwigheid
blijven
regeren
(Zach.14:9).
Temidden van
de aanbiddende
vergaderde
menigte troont
Christus met
Zijn Vader en
vanaf deze
tijd deelt Hij
de troon met
Zijn Vader
(Marc.16:19;
Col.3:1; DA
832; WdE 730).
Toen de Vader
Hem ontving en
Hem als Koning
proclameerde,
omsloten Zijn
armen de Zoon.
Er staat
geschreven:
“Hem moeten
alle engelen
Gods
huldigen.”
Hebr.1:6; DA
834; WdE 733.
Bij deze
proclamatie
knielde de
grote menigte
engelen
aanbiddend
voor Hem op de
grond neer,
terwijl
vreugdevolle
klanken de
hemelse hoven
vulden.
“Waardig is
het Lam dat
werd geslacht,
om te
ontvangen de
macht en de
rijkdom en de
wijsheid en de
sterkte en de
eer en de
heerlijkheid
en de lof.”
Openb.5:11,12.
De hele hemel
galmt van hun
stemmen in lof
verkondigend:
“Hem die op de
troon gezeten
is en het Lam
zij de lof en
de eer en de
heerlijkheid
en de kracht
tot in alle
eeuwigheden.”
Openb.5:13; DA
834; WdE 733.
Nu Hij dan
door de
rechterhand
Gods verhoogd
is
(Hand.2:33),
is Christus
inderdaad
verheerlijkt
met de glorie
die Hij had
bij de Vader,
éér de wereld
was
(Joh.17:5).
Dit was ‘s
hemels tweede
viering van
Zijn
triomfantelijk
werk in het
belang van ‘s
mensen
verlossing.
De zalving met
de Heilige
Geest
De
slotgebeurtenissen
van Christus’
inhuldiging
waren Zijn
zalving en de
zalving van
het heiligdom
(Dan.9:24).
Toen dit
plaatsvond,
daalde de
Heilige Geest
in rijke
stromen op de
discipelen (AA
38; JR 26,27).
Dit was voor
hen de
bevestiging
uit de hemel,
dat de
inhuldiging
van de
Verlosser
voltooid was
(AA 39; JR
27). Dit geeft
aan dat het
verlossingswerk,
verzinnebeeld
in het aardse
heiligdom, nu
volledig op
het heiligdom
in de hemel
was
overgedragen.
De zalving van
Christus voor
het heilig
ambt in de
hemel en de
zalving van de
gemeente om
medewerkers
met Hem te
zijn op aarde,
zijn
gebeurtenissen
die met elkaar
in verband
staan. Toen de
gemeente der
gelovigen (het
vergaderende
aantal werd op
ongeveer
honderd en
twintig
geschat.
Hand.1:13-15),
allen één van
geest en in
één plaats
bijeen waren,
daalde de
Heilige Geest
in stromen
neer en
overspoelde de
gemeente (AA
38, JR 26;
Col.1:21; LLD
68). Het
gehele huis
werd vervuld,
en zij zagen
tongen van
vuur op een
ieder van hen
(Hand.2:1-4).
Dit was de
vervulling van
“Zijn
belofte”: “Gij
zult met de
Heilige Geest
gedoopt
worden.” Niet
vele dagen na
deze, zou deze
gebeurtenis
hen macht
geven om Zijn
getuigen in
Jeruzalem te
zijn; maar ook
in Judea en
heel Samaria
en zelfs tot
het uiterste
der aarde
(Hand.1:5,8).
Deze doop vond
plaats toen de
dag van
Pinksteren
volledig was
begonnen. De
nacht was
voorbij en het
was nu het
derde uur van
de dag, dat is
ongeveer 9.00
uur ‘s morgens
(Hand.2:15).
De dag was
volledig
aangebroken.
Pinksteren het
einde van het
Pascha
«Pinksteren
was niet een
op zichzelf
staande dag.
Het was
verbonden met
het Pascha. De
beweeggarve
van het Pascha
en de twee
beweegbroden
op Pinksteren
verbonden deze
twee feesten
tezamen.»
SBDict. 1914,
article
Pentecost. «De
Joden noemden
Pinksteren de
slotvergadering
van het
Pascha.»
FBEncy. 1914.
Het feit dat
Christus’
ingaan in het
heilige van
het hemels
heiligdom, het
einde
kenmerkte van
de door God
erkende dienst
van het aardse
heiligdom en
het begin van
Christus’
bediening in
het hemelse
heiligdom, is
een van de
hoogtepunten
van het
verlossingswerk.
Daarom doen we
er goed aan
deze feiten
vanuit
verschillende
standpunten te
bestuderen.
Ten eerste,
vanuit het
gezichtspunt
van de
voorgeschreven
geregelde
dienst
Het
Pinksterfeest
wordt
weergegeven in
Lev.23:16:20:
dit bestond
uit “een nieuw
spijsoffer”
(twee
beweegbroden);
de
eerstelingen
van de late
oogst (vers
16,17) aan de
Here God
gegeven. Zeven
éénjarige
lammeren, een
jonge stier en
twee rammen
werden
tezamen, met
hun spijsoffer
en hun
plengoffer
(vers 18) als
brandoffer
gebracht. Een
jonge geit
voor een
zondoffer
(vers 19),
twee éénjarige
lammeren voor
vrede offers
samen met de
broden als een
beweegoffer
(vers 19,20)
gebracht.
Dit schijnt
een volle
dagdienst te
zijn geweest
en toch
vermeldt de
Bijbel niet
dat het
Pinksteren van
Handelingen
twee hiermee
in verband kan
worden
gebracht.
Inplaats van
deze
zinnebeeldige
offers, die
alle met de
kruisiging
werden
weggedaan,
werd de hele
dag gewijd aan
de gave en het
werk van de
Heilige Geest,
gebeurtenissen
die geheel
anders waren
dan de
geregelde
Pinksterdienst
zoals dat in
Leviticus
wordt
beschreven.
Ten tweede,
vanuit het
gezichtspunt
van de
opeenvolgende
gebeurtenissen
Zoals reeds
opgemerkt, was
het
Pinksterfeest
van
Handelingen
twee het
besluit (slot)
van het Pascha
dat Jezus een
dag eerder at
op de 14e
Nisan. Het
Pinksteren van
Hand. 2 zal
helpen dit
duidelijk te
maken. In de
nacht van het
Pascha werd
Jezus
verraden. De
laatste
hoofdstukken
van alle vier
evangeliën
zijn gewijd
aan het
verslag van
Zijn lijden
(verbonden aan
het verraad en
kruisiging),
maar ook aan
Zijn
begrafenis en
opstanding.
Het eerste
hoofdstuk van
Handelingen
geeft een
beschrijving
van de veertig
dagen na Zijn
opstanding,
Zijn
hemelvaart en
de aanwijzing
van Mattias
tot apostel en
verder dat zij
in de
bovenzaal
eendrachtig
bijeen
vergaderd
waren
(Hand.1:3,9,13-15,26).
Handelingen 2
vervolgt dan
met een
verslag van de
uitstorting
van de Heilige
Geest op de
Pinksterdag
als zij (de
kerk van de
gelovigen, AA
38; JR 26)
allen
eendrachtig
bijeen zijn.
Hand.2:1.
Maken al deze
elkaar
opvolgende en
met elkaar
verbonden
gebeurtenissen
ons niet
duidelijk, dat
het Pinksteren
van Hand. 2
als het
hoogtepunt
gezien kan
worden van het
Pascha dat
Jezus at?
Ten derde,
vanuit het
gezichtspunt
van de doop
met de Heilige
Geest
Het is zeker,
dat de Heilige
Geest niet
kwam tot de
ongelovige
Joden. Waren
deze leiders
op die wijze
geleid
geweest, dan
zouden zij
Judas niet
tegen een
“heerlijke
prijs”
(Zach.11:12-13)
omgekocht
hebben om zijn
Heer te
verraden. Zij
zouden niet
hebben
geroepen:
“Kruisig Hem”,
tot Pilatus
tijdens de
rechtszitting.
Zij zouden de
wachten geen
“grote som”
geld hebben
betaald om
over Zijn
opstanding te
liegen, noch
zouden zij de
apostelen in
de gevangenis
hebben
geworpen
(Hand.4:1-3),
omdat zij de
gekruisigde,
verrezen en
opgevaren
Heiland
predikten.
Ten vierde,
vanuit het
historische
standpunt
belicht
De term
“historisch”
toegepast op
het Pascha en
Pinksteren,
heeft
betrekking op
de regelmatig
steeds
terugkerende
viering op
vastgestelde
data. De 14e
Nisan was de
historische
datum voor het
slachten van
het Pascha-lam,
de 15e Nisan
voor het eten
van de
Paschamaaltijd,
de 16e Nisan
voor het
offeren van de
beweeggarve.
Vijftig dagen
na de
offerande van
de beweeggarve
begon het
Pinksteren
(Lev.23:15,16).
Terwijl al
deze data
bijbels
correct zijn
en vijftien
eeuwen lang
nooit zijn
gewijzigd
moeten we niet
vergeten, dat
de inzettingen
die deze dagen
voorschreven,
aan het kruis
werden
genageld. Het
Pascha had
zijn
tegenbeeld in
Christus, ons
Pascha,
ontmoet (1
Cor.5.7). De
beweeggarve
van de
eerstelingen
had haar
tegenbeeld in
Zijn
opstanding
ontmoet (1
Cor.15:20).
Pinksteren
ontmoette zijn
tegenbeeld op
de vijftigste
dag, vanaf de
morgen nadat
Christus het
laatste ware
Pascha had
gegeten. Toen
zond Hij Zijn
vertegenwoordiger,
de Heilige
Geest, de
Trooster, tot
de aardse
gelovigen
(Joh.16:5-15;
Hand.2:1-3).
Met de dood
van Christus
werd de
ceremoniële
wet
afgeschaft.
Zij had haar
betekenis
verloren en
werd niet meer
door God
erkend. Dit
feit kenmerkt
het einde van
de hebreeuwse
kerk en het
luidde het
begin van het
christelijke
tijdperk in.
Zoals we juist
hebben gezien
is de gave van
de Heilige
Geest aan de
kerk van
gelovigen het
hoogtepunt van
het Pascha,
dat Jezus met
de twaalven
at. Het is de
énige keer in
de bijbelse
geschiedenis,
dat viering
van deze
vastgelegde
datum werd
veranderd.
Maar zoals
reeds
opgemerkt was
deze
verandering
noodzakelijk,
vanwege de
omstandigheden
rond de dood
van Christus.
Het is waar
dat de Joden
nog vele jaren
doorgingen met
de formele
routine van
deze
inzettingen.
Dit wordt
getoond in
Hand.20:16 en
1 Cor.16:8 (de
enige twee
plaatsen naast
Hand. 2), waar
het woord
Pinksteren in
de Schrift
staat. Beiden
geven verslag
van de
beslissing van
Paulus om de
Joden op
Pinksteren te
ontmoeten.
Zijn bedoeling
hiervan was
niet om
Pinksteren te
vieren; want
hij wist heel
goed dat het
als goddelijke
inzetting, was
weggedaan,
maar omdat op
die tijd een
grote schare
Joden
vergaderd was,
bood deze
zeldzame
gelegenheid de
kans om het
evangelie aan
grote
aantallen te
prediken en
indien
mogelijk om
enigen van hen
voor Christus
te winnen. Dit
laatste
Pinksterfeest
was één der
opmerkelijkste
in de
geschiedenis
van de kerk,
en was slechts
te vergelijken
met het
Pinksterfeest
waarop God
Zijn wet
afkondigde op
de Sinaï. De
afkondiging
van de wet in
Ex. 20 viel op
de
Pinksterdag.
Zo werd op het
eerste
Pinksterfeest
van de N.T.
kerk, de dood
en de
opstanding van
Christus met
kracht
verkondigd.
Op deze wijze
werden
traditie’s en
bijgeloof
(door de
priester
overgebacht)
uit de geest
van de
discipelen
weggevaagd en
de leringen
van de Heiland
aanvaard (AA
44; JR 32).
Die dag werden
ongeveer 3000
zielen
toegevoegd.
Later
vermenigvuldigde
zich het
aantal
discipelen in
Jeruzalem en
ook een
talrijke
schare van de
priesters gaf
gehoor aan het
geloof
(Hand.2:41;
6:7).
Hierdoor
werden de
leiders van de
tempel zeer
verontwaardigd,
omdat de
apostelen de
opstanding uit
de doden door
Jezus
predikten en
door de
wonderen die
zij in Zijn
naam
verrichten
(Hand.4:2; AA
40). Daarom
sloegen zij
terzelfde tijd
de handen aan
hen en hielden
hen tot de
volgende dag
vast
(Hand.4:2,3).
Dit was het
einde van de
Pinksterdag,
zoals in Hand.
2 beschreven
staat: de dag
toen de
Heilige Geest
op de kerk (de
hele
vergadering
van gelovigen)
werd
uitgestort. De
daarop
volgende dag
vergaderden de
priesters en
de leiders van
de tempel in
Jeruzalem
(Hand.4:5,6).
Het was de
historische
tijd om het
Pinksterfeest
te vieren.
Maar kwamen
zij voor dat
doel bijeen?
De Bijbel zegt
het niet, maar
of ze het nu
wel deden of
niet, het
historische
Pinksterfeest
van de 6e
Nisan is
afgeschaft en
de Bijbel
maakt geen
melding meer
van haar
viering.
De vroege en
de late regen
Voor de tweede
komst van
Christus zal
er een àndere
uitstorting
van de Heilige
Geest zijn,
gelijk aan
Pinksteren, op
de ware
gelovigen van
de kerk en met
grotere
kracht. De
uitstorting
van de Heilige
Geest op de
Pinksterdag
was de vroege
regen, maar de
late regen zal
de oogst doen
rijpen en zal
overvloediger
zijn!
(COL 121; LLD
68; Joël 2:23;
Hosea 6:3; GC
611,612; GS
564,565).
De late regen
wordt
verzinnebeeld
door een
andere engel,
die met grote
kracht van de
hemel afdaalt;
“en de aarde
werd door zijn
lichtglans
verlicht.”
Openb.18:1.
Deze engel zal
zijn stem met
de derde engel
verenigen
(Openb.14:9,10)
en kracht en
macht aan de
boodschap
geven, totdat
deze aanzwelt
tot een luide
roep (EW
277,271; EG
326,322).
Niettegenstaande
de geestelijke
duisternis en
vervreemding
van God die in
de kerken
heerst die het
grote lichaam
van Babylon
vormen,
bevindt het
grootste deel
van Christus’
ware
volgelingen
zich nog in
hun
gemeenschap (GC
390; GS 366).
“Dezen” zegt
Jezus, “zijn
de andere
schapen welke
nog niet van
deze kudde
zijn maar die
zal Ik ook
inbrengen.”
Joh.10:16.
Wanneer de
luide roep van
de
derde-engelboodschap
deze oprechte
christenen,
die hongeren
en dorsten
naar de
waarheid van
Gods woord,
bereikt,
zullen zij die
boodschap
aanvaarden en
in de kudde
van de Goede
Herder komen
en het zal dan
één kudde en
één herder
zijn. Evenals
de sterren des
hemels die
alleen bij
nacht te zien
zijn, zullen
deze getrouwen
helder
schijnen. God
heeft een
overblijfsel
bewaard dat in
het duister
zal lichten om
aan een
afvallige
wereld te
tonen hoe
gehoorzaamheid
aan Zijn wet
een
veranderende
macht in het
leven zal
blijken te
zijn!
(PK 188,189E;
PK 119N).
De Heilige
Geest in onze
levens vandaag
Toen Christus
en het hemels
heiligdom
gezalfd
werden, werden
de discipelen
vervuld met de
Heilige Geest,
want de
belofte aan de
eerste
christenen
was: “Bekeer u
en wordt
gedoopt en gij
zult de gave
van de Heilige
Geest
ontvangen.”
Hand.2:28.
Deze belofte
is niet alleen
voor de eerste
gelovigen,
maar het is
ook voor een
ieder waar
bekeerd
persoon die
vandaag berouw
heeft en
gedoopt wordt
in de naam van
de Vader, de
Zoon en de
Heilige Geest
(Matt.28:19).
In Paulus
dagen waren
zekere
christenen die
door Johannes
de doper waren
gedoopt met de
doop der
bekering die
beleden: “Wij
hebben zelfs
niet gehoord
dat er een
Heilige Geest
is.” Eenmaal
gedoopt in de
naam van de
Here Jezus
spraken zij in
tongen
(Hand.19:2-7)
en evenals de
discipelen van
Hand. 2 waren
zij nu bereid
om gezanten
van Christus
te zijn. Toen
Christus op
het punt stond
op te varen,
waren Zijn
laatste
woorden tot de
discipelen:
“Gij zult
macht
ontvangen
nadat de
Heilige Geest
over u is
gekomen en gij
zult Mijn
getuigen zijn.
Zowel in
Jeruzalem, als
in geheel
Judea en
Samaria en tot
het uiterste
van de aarde
(Hand.1:8).
Deze gave van
de Heilige
Geest is ook
nu nog de
belofte van de
Vader aan Zijn
discipelen. De
opdracht van
Christus om
het evangelie
over heel de
wereld uit te
dragen was
niet alleen
voor de eerste
christenen,
maar ook voor
Zijn
volgelingen
tot het einde
van de tijd.
Zou het voor
ieder van ons
niet goed zijn
onze
persoonlijke
christelijke
ervaring na te
gaan en te
gedenken dat
God meer
gewillig is
ons de gaven
van de Heilige
Geest te
geven, dan
ouders goede
gaven geven
aan hun
kinderen?”
Luc.11:13.
Toen de
inhuldiging
van Christus
voltooid was,
begon Hij Zijn
dienst in het
heilige van
het hemels
heiligdom en
zond Zijn
volgelingen de
Trooster, de
Heilige Geest,
om voor altijd
bij hen te
blijven. Met
Zijn blijvende
aanwezigheid
zullen we de
vruchten van
de Geest
dragen:
“Liefde,
blijdschap,
vrede,
verdraagzaamheid,
goedheid,
geloof,
zachtmoedigheid
en matigheid.”
Gal.5:22. Als
dit een te
hoge maatstaf
lijkt dan zal
de Heilige
Geest onze
zwakheden te
hulp komen
(Joh.14:16,17;
Rom.8:26). Hij
is ook de
Geest der
waarheid
(Joh.16:13) om
ons alle
dingen te
leren. Van
onze kant
betekent dit
getrouwe
gebedsvolle
studie van de
Bijbel en
zachtmoedige
gehoorzaamheid
aan al zijn
leringen, om
de heiligen
toe te
rusten... tot
we allen de
eenheid des
geloofs en de
volle kennis
van de Zoon
van God
bereikt
hebben, de
mannelijke
rijpheid...
dat we
voortaan geen
kinderen meer
zijn, heen en
weer
geslingerd
onder invloed
van allerlei
wind van
leer... Maar
indien wij ons
aan de
waarheid
houden groeien
wij in liefde
in elk opzicht
naar Hem toe
(Ef.4:12-15).
Ons te meten
aan deze
standaard door
ons oprecht te
wijden voor de
verkondiging
van dit
evangelie van
het Koninkrijk
is in heel de
wereld tot een
getuigenis
voor alle
volken, en de
maat van de
Heilige Geest
in ons leven.
Jezus onze
voorloper
Toen Christus
Zijn werk in
het hemels
heiligdom
begon, werd
Hij onze
voorloper
(Hebr.6:20).
Het doel van
een voorloper
is om de
nadering van
een belangrijk
persoon aan te
kondigen. Hij
wordt altijd
met blijdschap
begroet, maar
wanneer hij
gepasseerd is,
richt de
aandacht van
de
toeschouwers
zich op
diegene
waarvan hij de
voorloper is.
Toen de
inhuldiging
van onze
voorloper
voltooid was,
richtte de
aandacht van
de hemel zich
op de kerk op
aarde. Van die
tijd af is zij
het centrum
van de
aandacht
geweest, het
voorwerp van
het verlangen
en de zorg van
de hemel.
Christus leeft
altijd om Zijn
volgelingen op
aarde te
versterken en
te bemoedigen
(Hebr.7:25).
Verlossing
neemt nu de
aandacht van
onze Heer en
Heiland in
beslag. Dit
feit bevestigt
de hoop dat
allen die
vluchten naar
Gods veilige
en vaste
schuilplaats,
dit als een
“anker der
ziel” zullen
ervaren
(Hebr.6:18-20).
Sinds Hij het
eerste
voorhangsel
als onze
voorloper
binnenging,
zijn de hemel
en de aarde
nauw met
elkaar
verbonden
geweest. Maar
pas als de
verlosten
staan aan de
glazen zee zal
Hij het
resultaat van
zijn moeitevol
lijden zien
tot
verzadiging
toe
(Jes.53:11).
(“HET PAD NAAR
DE TROON VAN
GOD” Sarah E.
Peck)