De Priester en zijn
Klederen
(13)
Waar de
priesters dienst
deden
De hogepriester had
gedurende het jaar
niet alleen een
functie in de
voorhof, maar ook in
het heilige. En op
de laatste dag van
het jaar, op Grote
Verzoendag, brachten
zijn plichten hem
binnen in het
heilige der heiligen
om de speciale
plichten voor die
dag te verrichten
(Hebr.9:7;
Lev.16:17). In het
heilige der heiligen
ging de hogepriester
eenmaal per jaar. De
gewone priesters
deden hun dienst in
de voorhof en in het
heilige (Hebr.9:6).
Zij kwamen nooit in
het heilige der
heiligen. De
Levieten, hoewel
door God aangesteld
om de priesters te
assisteren, betraden
zelf nooit het
heiligdom, met
uitzondering als het
kamp verhuisd werd
van plaats tot
plaats en zelfs
alleen dan, als de
gebruiksvoorwerpen
bedekt waren
(Num.3:6,9;
4:15,20-33). Op
andere tijden werden
hun diensten beperkt
tot de voorhof. Een
gewone Israëliet had
slechts toegang tot
de voorhof wanneer
hij zijn offerande
voor de zonde bracht
(PP 318N). Gedurende
Zijn aardse leven
kwam Christus nooit
in het heilige,
omdat Zijn werk als
Priester na Zijn
Offerande begon.
Nadat Hij ten hemel
gevaren was begon
Zijn werk als
Hogepriester in het
heilige van het
hemels heiligdom
(Hebr.9:12,24).
De klederen
van de gewone
priester
De klederen van de
priester en de
hogepriester
verschilden, omdat
zij symbool waren
van de verschillende
functies die zij
hadden. Maar allen
waren heilige
gewaden; “een
prachtig sieraad.”
Ex.28:2,40.
Zij waren van fijn
geweven linnen uit
één stuk en zonder
smet. (Ex.39:27; DA
709). D.w.z: Zij
mochten niet
gescheurd worden of
vuil zijn. Slechts
zó konden zij het
smetteloze karakter
van de hemelse
Priester, Jezus
Christus, hun grote
Tegenbeeld,
verzinnebeelden. Het
maken van deze
kleding was een
heilige taak en werd
slechts aan wijzen
van hart
toevertrouwd, die
door God met de
Geest der Wijsheid
vervuld waren
(Ex.28:3). “Gij zult
voor Aärons zonen
klederen maken en
gij zult voor hen
gordels en mutsen
maken.” Dit vormde
hun bovenkleding. De
onderkleding of
linnen broeken waren
vanaf de heupen tot
even boven de knie
(Ex.28:40,42). De
gordel was van fijn
geweven linnen,
doorwerkt met blauw,
purper en
scharlaken;
veelkleurig weefwerk
(Ex.39:29). De
kleding
correspondeerde met
de eenvoudige
kleding van Jezus,
die zonder naad en
van boven naar
beneden uit één stuk
geweven was
(Joh.19:23). De
naadloze mantel
waarover de soldaten
het lot wierpen was
voorzegd (Psalm
22:19). De gordel
werd gebruikt om de
kleding op te binden
om zodoende
gemakkelijk de
werkzaamheden te
doen.
Het was een
onveranderlijk teken
om gereed te zijn
voor de dienst.
Jezus zegt: “Laat uw
lendenen omgord zijn
en uw lampen
brandende.”
Luc.12:35. D.w.z.
wees ijverig. Van
Christus wordt
gezegd:
“Gerechtigheid zal
de gordel van Zijn
lendenen zijn en
getrouwheid de
gordel van Zijn
heupen.” Jes.11:5.
Bij de brandende
braambos zei God tot
Mozes: “Doe uw
schoenen van uw
voeten, want de
plaats waarop gij
staat is heilige
grond.” Ex.3:5. Op
gelijke wijze
wandelden de
priesters van het
heiligdom op heilige
grond en droegen
daarom tijdens hun
dienst géén
schoeisel. De grond
waarop het heiligdom
was geplaatst was
door God uitgekozen,
en door Zijn
aanwezigheid was het
heilige grond.
Geestelijke
lessen van deze
kleding
Alles wat met de
kleding en het
gedrag van de
priesters te maken
had, had ten doel de
toeschouwer een
indruk te geven van
de heiligheid van
God, de heiligheid
van Zijn dienst en
van de zuiverheid
die geëist werd van
hen die tot Hem
naderen (PP 351E; PP
315N). Het fijn
geweven witte
linnen, waarvan de
eenvoudige kleding
was gemaakt, was een
symbool van
gerechtigheid
(Openb.19:8). Het
verzinnebeeldt de
schoonheid van
Christus’ karakter
van wie de priesters
een type waren.
Duidt het ook niet
aan, dat de kleding
van de
evangeliedienaar -
de vertegenwoordiger
van Christus op
aarde - vlekkeloos
zonder smet en
eenvoudig van
patroon moet zijn?
Het materiaal en de
eenvoud van de
priesterkleding
duidde ook op de
schoonheid van
karakter, die iedere
christen die een
gezant van Christus
is bezit. Eenvoudige
bescheiden kleding
is een aanwijzing
van de verborgen
mens des harten (1
Petr.3:3,4), wiens
versierselen bestaan
uit zuiverheid,
waarheid,
oprechtheid,
onzelfzuchtigheid,
en andere gaven van
de Geest. Dit is de
heilige kledij “het
prachtig sieraad”,
dat onsterfelijk is.
De uitwendige
versiering, het
vlechten van het
haar, goud of
kostbare snoeren
behoren tot Babylon
de Grote, de moeder
van alle hoeren en
gruwelen van deze
aarde (1 Tim.2:9;
Openb.17:4,5). Zij
duiden op een gebrek
aan de ware
versiering van hart
en leven. Toen Adam
en Eva geschapen
werden, waren zij
bekleed met een
mantel van licht en
heerlijkheid, welke
ook de engelen
dragen (PP 20E). Dit
prachtige gewaad van
licht was een
zinnebeeld van hun
geestelijk gewaad
van hemelse onschuld
(COL 310-311; LLD
190). De verlosten
worden met fijne
witte klederen
bekleed, welke de
gerechtigheid van de
heiligen is
(Openb.19:8). Zoals
de priesterkleding
uit één stuk was
geweven, zo was
Christus’ leven voor
één doel geweven,
waar niets Hem vanaf
kon brengen.
Gelijkerwijs moet de
ervaring van de
christen er een zijn
van voortdurende
gestage vooruitgang.
En zijn motto moet
zijn: “Dit ene doe
ik.” Phil.3:13,14.
Geloof in Christus
en niet onze
gevoelens moeten ons
aan wáre plicht,
trouw en aan Gods
eeuwige Waarheid
vasthouden. Emoties
zijn onvast, op en
neer. Als wij door
onze gevoelens
geleid worden zullen
wij lijken op een
golf der zee,
gedreven door de
wind en heen en weer
geslingerd
(Jac.1:6). Zoals het
linnen kleed moest
dienen om de
naaktheid te
bedekken (Ex.28:42),
zo zegt Christus tot
hen die beweren zich
voor Zijn komst voor
te bereiden: “Ik
raad u van Mij
klederen te kopen,
witte kleding, opdat
gij bekleed moogt
worden en de schande
van uw (geestelijke)
naaktheid niet
zichtbaar worde.”
Openb.3:18.
Geestelijke
naaktheid duidt op
een afvallen van
trouw aan God, wat
gelijk staat aan
geestelijk overspel.
De straf op
ongehoorzaamheid
Het dragen van deze
heilige kleding door
de priesters, als
zij in de tent der
samenkomst kwamen,
of wanneer zij tot
het altaar naderden
om te dienen, was
een uitdrukkelijk
bevel van God. Enige
nalatigheid van de
zijde der priesters
om daaraan te
gehoorzamen,
betekende de dood
(Ex.28:43). Waarom
zo’n strenge straf?
Omdat het dan in dit
geval voor de
priester onmogelijk
zou zijn om de
ongerechtigheden van
Israël te dragen als
een type van
Christus (Num.18:1).
Onder zulke
omstandigheden
konden zij geen
ongerechtigheid
dragen en zouden
sterven. Zij
stierven omdat zij
Christus, hun
Tegenbeeld, verkeerd
voorstelden. Het
resultaat van de
ontrouwe christen is
hetzelfde, want om
deze reden kan de
ambassadeur van
Christus niet met
Zijn gerechtigheid
bekleed worden. Hij
kan anderen niet van
hun ongerechtigheid
afbrengen, maar hij
zal ze misleiden.
Als resultaat
daarvan is hij de
oorzaak van hun
eeuwige ondergang en
zal zelf mogelijk
zijn ziel verliezen.
Het
priesterschap een
geboorterecht
Vanaf de vroegste
tijden was het onder
patriarchen de
gewoonte, dat de
oudste zoon voor het
priesterschap werd
aangewezen. Toen
Ezau zijn eerste
geboorterecht
verkocht aan Jacob,
verbeurde hij het
heilige voorrecht
van het
priesterschap. In
het levitische
priesterschap werd
Aäron, de oudste
zoon van Amram en
Jochebed, beiden van
de stam van Levi,
door God uitgekozen
om hogepriester te
zijn.
“Het priesterschap
werd ingesteld, om
het bemiddelend
karakter en werk van
Christus voor te
stellen” (DA 165;
WdE 129), Die “de
eerstegeborene van
de ganse Schepping
is”. Col.1:15.
De dienst
van de priesters
De aardse priesters
werden aangesteld om
offers te brengen
als middelaars
tussen God en de
mens. De
hogepriester onder
God handelde niet
slechts als
middelaar van dag
tot dag het hele
jaar door, maar hij
oordeelde Israël
ook. Dit deed God
door de Urim en
Tummim, die op de
borstplaat waren
ingelegd, die hij
droeg als een
“borstschild der
beslissing.”
Ex.28:29,30.
Het hogepriesterlijk
werk als rechter
werd speciaal
duidelijk op de
Grote Verzoendag,
wanneer God door hem
oordeelde wie van
Israël afgesneden
zou worden. Dat
waren zij, die hun
harten niet
nauwkeurig
onderzocht hadden en
de andere vereisten
van God voor deze
speciale dag niet
hadden waargenomen
(Lev.23:27-29). De
anderen werden
waardig bevonden om
tot Gods volk
gerekend te worden.
De priesters waren
ook leraars in
Israël (Ed 78).
Onder God handelden
zij als bestuurders
der natie. Hun
dienst als
bestuurders zette
zich voort tot de
tijd van Samuel.
Toen eiste het volk
een koning, opdat
zij zouden zijn als
de volken rondom hen
(Sam.8:4,5,19,20).
Christus als
het tegenbeeld van
de priesters
Aan het kruis
offerde Christus,
het Lam Gods,
Zichzelf, om de
zonden van de wereld
weg te nemen
(Joh.1:29) Hijzelf
de Priester, Hijzelf
het Slachtoffer.
Bij Zijn hemelvaart,
werd Hij tot
Hogepriester gezalfd
in de bevoegdheid
van Middelaar. Al de
engelen assisteren
bij dit werk, want
zij zijn dienende
geesten, die
uitgezonden worden
ten dienste van hen
die het heil zullen
beërven (Hebr.1:14).
De Heilige Geest
Zelf pleit voor ons
met onuitsprekelijke
verzuchtingen
(Rom.8:26).
Sinds
Zijn hemelvaart is
Christus onze
Hogepriester. Zoals
op Grote Verzoendag,
(het zinnebeeld van
de oordeelsdag) de
aardse hogepriester
als rechter van
Israël handelde, zo
zal ook op de
werkelijke
oordeelsdag Christus
onze hemelse
hogepriester als
rechter optreden en
eerst het huis Gods
oordelen (Joh.5:22;
1 Petr.4:17).
Wanneer dit
onderzoek - het
“onderzoekend
oordeel” genoemd,
omdat dan gewoonweg
de rechtszaken
worden onderzocht -
is beëindigd, sluit
de genadetijd voor
de mensheid en
eindigt Jezus werk
als Middelaar, omdat
de genade niet
langer aan zondaars
verleend kan worden.
Dan legt Christus
zijn priesterlijk
kleed af en bekleedt
Zich met Zijn
koninklijke kleding
(EW 281; EG 336).
Dan komt Hij als
bruidegom om Zijn
bruid, de verlosten,
op te halen. Hoe
toepasselijk voor
dit hoogtepunt van
Zijn offervaardig
leven, wanneer Hij
Zijn priesterlijke
kleding aflegt en
zich tooit met Zijn
koninklijk kleed.
Het feit, dat Hij
Zijn priesterkleding
aflegt duidt er op
dat Hij dan geen
Priester meer is.
Voor een
gedetailleerd
verslag, over het
einde van het
priesterschap en het
begin van Jezus’
Koningschap in het
Koninkrijk der
genade en het
Koninkrijk der
heerlijkheid
(Raadpleeg de Grote
Stijd 324-325). Dat
Jezus Zijn
koningschap in het
koninkrijk der
genade zal afleggen
wordt duidelijk
geleerd in 1
Cor.15:23-28. Paulus
haalt hier de
profetieën over het
priesterschap aan
uit Psalm 110:1, en
zegt dat dit
Koningschap een
einde neemt. Jezus
als Koning in het
Koninkrijk der
genade is Priester.
Volgens Hebr.7:3
blijft Jezus
Priester tot dat
alles tot stand
gebracht is.
De
Konkordante
Wiebergabe zegt:
“Priester bis zur
durchführung.”
Het
Griekse woord
“dięnekës” dat hier
gebruikt wordt
betekent “carried
through”, in gewoon
Hollands: “tot Zijn
werk klaar is”. Het
woord eeuwig, in
relatie tot het
priesterschap van
Jezus, betekent:
“Hij houdt er niet
mee op voordat Zijn
werk klaar is.”
Dat is een geweldige
belofte! Hij zet
door en bereikt Zijn
doel; dat is een
heerlijke gedachte.
De drie
priesterorden
Vanaf de tijd dat de
zonde deze wereld
binnenkwam worden
drie onderscheiden
priesterorden door
de Schrift naar
voren gebracht:
De eerste:
De patriarchale
periode vanaf Adam
tot Jakob, waarin
iedere patriarch
tevens priester van
zijn huisgezin was.
Dit zou dan de
patriarchale orde
van priesters
genoemd kunnen
worden. Het werd
tenminste nog enige
tijd gedurende de
slavernij van Israël
in Egypte
voortgezet. In deze
gehele periode was
het enige altaar het
familiealtaar. Voor
de zondvloed stond
dit altaar aan de
poort van Eden (PP
36N en PP 62E), waar
de cherubs verbleven
met hun flikkerend
zwaard om de boom
des levens te
bewaken (Gen.3:24).
Later zouden de
leden van ieder
gezin bijeenkomen
voor het morgen en
het avondgebed, en
voor het offeren van
slachtoffers die hun
geloof in de komende
Verlosser tot
uitdrukking
brachten.
De tweede:
Toen Israël uit
Egypte bevrijd werd
en nadat ze de Sinaď
bereikt hadden koos
de Heer de stam van
Levi voor de dienst
van het heiligdom,
dat toen vervaardigd
werd, en Hij
plaatste Aäron van
de stam van Levi
apart om
hogepriester te
zijn. Zo werd de
aäronitische of
levitische
priesterorde
gevestigd. Dit teken
van gunst werd aan
de stam van Levi
verleend, vanwege
hun trouw aan God,
toen Israël afvallig
werd door de
aanbidding van het
gouden kalf
(Ex.32:26). Het
levitische of
Aäronitische
priesterschap (de
ordening van Aäron:
Hebr.7:11) strekte
zich uit tot aan de
kruisiging en kwam
toen tot een einde.
Van die tijd af was
er op aarde geen
door God aangewezen
priesterorde. Het
aardse priesterschap
eindigde aan het
kruis.
De derde:
Bij de hemelvaart
van Christus werd
het priesterschap op
het hemels heiligdom
overgedragen. Toen
werd Christus de
gezalfde
Hogepriester en het
priesterschap van
Christus ving aan.
Naar de
ordening van
Melchizédek
Bij Zijn hemelvaart,
werd Christus
Priester voor
eeuwig, naar de
ordening van
Melchizédek
(Hebr.6.20).
Melchizédek wordt op
slechts drie
plaatsen in de
Bijbel vermeld:
Gen.14:18-20; Psalm
110:4 en Hebr.5:6,7.
Hij was koning van
Salem en Priester
van de Allerhoogste
God, levende in een
gebied waar Abraham
doortrok
(Gen.14:18-20). Dit
was meer dan
vierhonderd jaar
voordat het
levitische
priesterschap werd
ingesteld. Hij was
daarom niet van de
stam van Levi noch
was Hij een der
patriarchen. Maar
Hij was een Priester
van de ware God. Het
schijnt dat Abraham
met Melchizedék
bekend was, want hij
vertrouwde in zijn
rechtvaardigheid,
vriendelijk de
gastvrijheid
aanvaardend, toen
Melchizédek het
leger brood en wijn
aanbood (PP 136E; PP
109N). Abraham
toonde vertrouwen in
de positie van
Melchizédek als
Priester van de
Allerhoogste, door
het betalen van een
tiende aan hem. In
het geven van de
zegen aan Abraham
(Hebr.7:6,7),
erkende Melchizédek
dat God de bron was
van zijn kracht en
overwinning
(Gen.14:19,20).
Christus en
Melchizédek
In de Bijbel lezen
we, dat onze Heer
voortkwam uit de
stam van Juda,
hoewel we natuurlijk
verwacht hadden dat
Hij uit de stam van
Levi zou komen die
Hijzelf tot het
priesterschap
geroepen had. En
verder staat er
geschreven, dat naar
de gelijkenis van
Melchizédek er een
andere Priester
(Christus) zou
komen; een Priester
naar de orde van
Melchizédek
(Hebr.7:14-17).
Melchizédek werd
Priester met
dezelfde kwaliteiten
als de Zoon van God.
(Gods Zoon
gelijkende, Moffatt).
Wie is Melchizédek
Paulus maakt in de
Hebreeënbrief heel
duidelijk, dat de
ordening van
Melchizédek hoger
staat dan die van
Aäron, want hij zegt
met zoveel woorden:
“Nu is het
onwedersprekelijk
dat het mindere door
het meerdere wordt
gezegend... Ja om zo
te zeggen is zelfs
Levi die tienden
heft, door Abraham
aan het tiendrecht
van een ander
onderworpen, want
hij was nog in de
lendenen van zijn
vader toen
Melchizédek deze
tegemoet kwam.”
Hebr.7:7-10.
1.
Dus in de eerste
plaats is de
ordening van
Melchizédek hoger
dan die van Levi.
2.
In de tweede plaats
wordt in Hebreeën 7
twee keer verteld
dat Melchizédek nu
nog leeft.
a. vers
3 zegt dat
Melchizedék
“Priester blijft
voor altoos.”
b. vers
8 beweert dat er een
getuigenis is dat
hij nog leeft, “van
wie getuigd wordt
dat hij leeft.”
Men kan zich nu
afvragen: “Waar
wordt dat getuigd?”
Dat is eigenlijk
heel eenvoudig.
Laten wij het
priesterschap naar
“de ordening van
Aäron” (vers 11)
nemen. Als het
geslacht van Aäron
uitgestorven was
geweest b.v. in de
tijd van David, had
de ordening van
Aäron dan nog kunnen
voortbestaan? Neen,
onmogelijk. Als de
dynastie
uitgestorven is dan
is de ordening
verloren.
M.a.w. Christus kon
alleen Priester
worden naar de
ordening van
Melchizédek, als
Melchizédek of de
dynastie nog leefde.
Nu blijkt volgens
Paulus, dat
Melchizédek nog
leeft (Hebr.7:8), en
dat hij nog Priester
is (Hebr.7:3).
Paulus zegt: “Zo
simpel is dat.”
3. Als
het onder punt 2
aangehaalde echter
waar is, dan werpt
dat een enorm licht
op Hebr.7:3. Dan
moeten de
uitdrukkingen
“zonder vader,
zonder moeder”
“zonder
geslachtsregister”,
“zonder begin van
dagen of einde des
levens” en “aan de
Zoon van God gelijk
gesteld” opgevat
worden in de meest
letterlijke zin. Dan
is deze Melchizédek
inderdaad zonder
vader, zonder
moeder<%-2>, zonder
geslachtsregister,
zonder begin van
dagen of einde des
levens en aan de
Zoon van God gelijk,
en dat in alle
delen.
De Here liet door
Ellen White
optekenen:
«Het was Christus
die sprak door
Melchizédek, “de
Priester van de
Allerhoogste God.”
Melchizédek was niet
Christus, maar hij
was de stem van God
in de wereld, de
vertegenwoordiger
van de Vader.»
R&H
18-2-1890; BC 1093;
1 SM 409.
Wat is de stem van
God in de wereld en
wie is de
vertegenwoordiger
van de Vader? Is dat
niet de Heilige
Geest? Ellen White
stond in deze
opvatting niet
alleen. Het
Bijbelcommentaar van
Mattheuw Henry en
ons eigen
Bijbelcommentaar
maken duidelijk, dat
er door de eeuwen
heen mensen geweest
zijn die gemeend
hebben, dat
Melchizédek de
Heilige Geest was.
Want is het
werkelijk zo dat een
aards priester vrede
tot onze overheid
kan maken en
gerechtigheid tot
onze heerseres?
(Jes.61:17). Of is
dat het werk van de
Heilige Geest? Is
niet de Heilige
Geest de Koning des
Vredes en de Koning
der Gerechtigheid en
is Hij daarin niet
aan de Zoon van God
gelijk? Christus is
de Vredevorst
(Jes.9:5). Jesaja
zegt zelfs in de
King James
vertaling: “Aan de
toename van vrede
zal geen einde
zijn”, bij deze
Vredevorst
(Jes.9:6). En is
Jezus niet “de Here
onze gerechtigheid.”
Ik denk dat wij een
aards priester, een
geboren Kanaäniet,
te veel eer geven
als wij hem met
dergelijke titels
tooien.
Dus Melchizédek is
de Heilige Geest en
naar die ordening
verricht Jezus Zijn
dienst. Beide hebben
een dienst des
vredes en
gerechtigheid en wel
in de harten van de
mensen. “De Geest
zelf pleit voor ons
met onuitsprekelijke
verzuchtingen.”
Rom.8:26.
«Christus onze
Middelaar en de
Heilige Geest,
bemiddelen
voortdurend ten
behoeve van de mens,
maar de Geest pleit
niet voor ons op
dezelfde wijze als
Christus, Die Zijn
bloed offert dat
vergoten is vanaf de
grondlegging der
wereld: ‘De Geest
werkt aan onze
harten, ontlokt
gebeden en berouw,
lof en
dankzegging.’» 1 SM
343-344 en 6 BC
1077-1078.
4. Wat
is dan de ordening
van Melchizédek in
tegenstelling tot
die van Aäron? Twee
keer wordt er in
Hebr. 7 gezegd, dat
de ordening van
Melchizédek eeuwig
en die van Aäron
tijdelijk is.
Vers 3 zegt: “blijft
priester voor
altoos” of zoals
Strong en de
Konkordante
Wiebergabe
weergeven: “Tot de
totstandkoming”.
Vers 8 zegt dat
Melchizédek nog
leeft: Melchizédek
“van wie getuigd
wordt dat hij
leeft.”
Welnu, dat is de
ordening. Het
priesterschap van
Melchizédek gaat
door tot de tot
standkoming, tot de
“dięnekés”. En dat
is het priesterschap
van Jezus.
a.
Hij is Priester
“krachtens een
onvernietigbaar
leven.” vers 16.
b.
“Daar Hij altijd
leeft om voor hen te
pleiten.” vers 25.
Wat betekent dat nu
concreet? “Daarom
(en daarom alléén)
kan Hij ook volkomen
behouden die door
Hem tot God gaan.”
vers 25.
Verder was het
onderscheid dat het
levitische
priesterschap
“krachtens een wet
met een voorschrift
betreffende
vleselijke afkomst
was.” Maar het
priesterschap van
Jezus kwam na deze
wet en was met “het
plechtige woord van
de eed.” vers 28.
Om kort te gaan, de
ordening van
Melchizédek is de
ordening van “de
totstandkoming,” of
te wel de ordening
die haar doel
bereikt. Zo lang
duurt die ordening
van de “dięnekés.”
Volgens de
Konkordante
Wiebergabe: