De Zeven Gemeenten

De Zeven Gemeenten
Door de eeuwen heen is de kerk de mening toegedaan dat de zeven zendbrieven van Jezus aan de gemeenten gericht waren in de verschillende perioden van de kerkgeschiedenis. (Openbaring 2:l -29; 3:1-22). Er zijn verschillende aanwijzingen dat Jezus Zijn boodschappen bestemde voor een groter publiek dan alleen de zeven plaatselijke gemeenten.

Ten eerste: Er waren veel andere christelijke gemeenten in dat gebied, die belangrijker waren dan de genoemde zeven gemeenten. Jezus koos er blijkbaar zeven uit met een bepaalde bedoeling. Het getal zeven duidt op volmaaktheid. God voltooide de schepping van deze wereld in zeven dagen. De zeven gemeenten stellen de gehele kerk van Christus voor.
Ten tweede: Het boek de Openbaring richt zich tot de leden van de zeven gemeenten (Openb. 22: 16), en toch gaat het in bepaalde gedeelten van dit boek over gebeurtenissen, die op heel de wereld betrekking hebben. De gebeurtenissen reiken tot de wederkomst van Jezus naar deze aarde. De boodschappen van de Openbaring zijn van toepassing op de Christelijke kerk als geheel, zowel in de tijd van Johannes als in de latere geschiedenis van de kerk.

Ten derde: Aan het einde van elk van de zeven boodschappen wordt de aandacht gevestigd op het oordeel, een universele gebeurtenis. De naam van de zevende gemeente Laodicea betekent "het volk van het oordeel.

" Op de landkaart van Klein-Azië vormen deze zeven gemeenten een gesloten geheel. Binnen de kring van de gemeenten is het goed vertoeven, want daar is Christus. (Openb. 1:12, 13, 20) Hij is met de kerk van alle tijden. Jezus maakt zich bekend in zijn brieven aan de zeven gemeenten als de Enige die in staat is in de noden van elk mens te voorzien.

De indeling van de brieven is als volgt: Een adres; een beschrijving van Jezus genomen uit de volledige beschrijving van hoofdstuk 1; een opsomming van de goede eigen­schappen van de gemeente; een overzicht van haar tekortkomingen; raadgevingen om verkeerde ge­woonten te corrigeren; een waar­schuwing voor hen die op de raad geen acht slaan; een oproep voor iedereen die de boodschap van Jezus aan de gemeente hoort en een speciale belofte voor hen, die zijn raad willen opvolgen.
Christus heeft voor elke gemeente lof en aanbeveling, behalve voor de laatste gemeente, de Laodicea gemeente.

Als Jezus zijn bestraffingen uitspreekt, slaat Hij twee gemeenten over. Voor de vroeg christelijke kerk heeft Jezus geen bestraffende woorden. Zij werd zwaar vervolgd tijdens het heidens Romeinse rijk. Zo ook de Filadelfia gemeente, de gemeente die aan de hand van het profetische woord een nieuwe beleving in de kerk bracht. Het was deze gemeente die moderne zendingen stichtte, die de bijbelgenootschappen oprichtte, die de slavernij afschafte, die 1844 aankondigde en die een gods­dienstige herleving teweeg bracht en zo dus het hele christelijke beleven vernieuwde.

Deze beide gemeenten ontvingen ook geen waarschuwende woorden die hen bedreigden. Zij werden alleen gewaarschuwd voor valse broeders, voor mensen die zeiden dat zij Joden waren, d.w.z. christenen waren, maar dit in feite niet waren.

EFEZE

De periode van Efeze komt overeen met het apostolische tijdvak. Zij eindigt met de dood van de apostelen. Het is een ijverige gemeente. Zij wordt geprezen om haar werken, haar arbeid en haar geduld. Zij is onvermoeibaar, zij wordt niet moe. Zij haat de werken der Nicolaïeten maar niet de Nicolaïeten als persoon. Zij toetst de valse leraren en kan de kwaden niet verdragen.
Maar één ding was na verloop van tijd verdwenen en dat was de eerste liefde.

De liefde is een hemelse gave die alle andere gaven aangenaam maakt en zonder deze gave is geen enkele andere gave aangenaam. Waar de liefde verdwijnt - de grootste rijkdom -verliezen alle werken hun waarde.

Voor een Christen zou nooit de tijd mogen aanbreken waarin, als hem gevraagd zou worden wanneer hij Jezus het meeste liefhad, hij niet zou kunnen zeggen: "Ik heb Jezus nu meer lief dan ooit tevoren!" wanneer een tijd komt waarin hij dit niet kan zeggen, moet hij nadenken over hetgeen hem ontvallen is.

Een ding moeten wij echter niet vergeten. Als de liefde er is dan betekent dat niet, dat wij de kwaden moeten verdragen. IJver moet er zijn, volharding en doorzetting moeten aanwezig zijn, anders komt het werk niet af. Valse leraren moeten getoetst worden. Maar alles moet gebeuren uit een vurige liefde voor de Heiland. Onze genegen­heden behoren toe aan Jezus. Als onze genegenheden niet bij Hem zijn dan wordt uiteindelijk de kandelaar weggenomen. Het gebrek is dus ernstig. De overwinnaars mogen tenslotte eten van de boom des levens.

SMYRNA
Het karakter van de gemeente Smyrna, het tijdperk van de vroegchristelijke kerk, toont aan dat de apostolische kerk de boodschap die Jezus haar zond, verstaan en begrepen heeft. Zij heeft haar goede eigenschappen, haar ijver, haar volharding niet opgegeven maar is teruggekeerd naar haar eerste liefde. De vervolgingen zijn aange­wakkerd.

Het Romeinse rijk vervolgt de gemeente tot bloedens toe en miljoenen christenen hebben omwille van hun geloof, hun leven gegeven voor Jezus. Jezus bemoedigt hen en roept hen toe: "Wees ge­trouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des le­vens."
Openb. 2: 10 Door de ver­volging is de gemeente arm. Wat zij heeft wordt

haar ontnomen, maar toch is zij rijk, rijk in liefde en goede werken, zij breidt zich uit en het blijkt dat het bloed van de martelaren het zaad van de kerk is. Hij die Zelf dood geweest is en weer leeft houdt de gemeente in zijn hand. Toch was ook deze gemeente niet van gevaar ontbloot.

Er waren mensen die zeiden dat zij christenen waren, maar het niet echt waren. Er was onkruid tussen de tarwe. Gevaren van binnenuit zijn vaak groter dan van buitenaf. Deze gemeente zal uiteindelijk 10 dagen verdrukt worden. Onder keizer Diocletianus werd de gemeente 10 dagen, dat is volgens het jaar / dag principe 10 jaar, gruwelijk vervolgd. De keizer was vastbesloten om de christenen met wortel en al uit te roeien. Het eerste decreet van Diocletianus werd uitgevaardigd in 303, tien jaar later, in 313, vaardigde Constantijn de Grote zijn decreet uit, dat aan de christenen de volle vrijheid verleende om hun godsdienst uit te oefenen.

PERGAMUM

Tijdens deze tien dagen vonden er bepaalde ontwikkelingen in het Romeinse rijk plaats die het christendom voor altijd een geheel ander aanzien zouden geven. Diocletianus reorganiseerde zijn rijk en verdeelde het onder vier 'onderkeizers' (satrapen).
Nadat deze reorganisatie doorgevoerd was deed hij plotseling afstand van de troon en waren er 4 keizers in het Romeinse rijk. In 308 waren het er al zes. Er kwam een grote burgeroorlog. In deze burgeroorlog waren er twee keizers, Constantijn en Licinius, die zich tot het christendom wendden, het christendom in de persoon van de bisschop van Rome.

Het christendom werd op een 'verhevenheid', (de betekenis van het woord Pergamum), geplaatst en ontving van de keizers godsdienst­vrijheid, in die zin dat de staat zich met het christendom verbond.

De boodschap die Jezus aan deze kerk zendt maakt daar melding van: "Maar Ik heb enkele dingen tegen u: dat gij daar sommigen hebt, die vasthouden aan de leer van Bileam, die Balak leerde de kinderen Israëls een strik te spannen, dat zij afgodenoffers zouden eten en hoereren." Openb. 2: 14.

Het grote gebrek van de Pergamum gemeente was dat ze heidense invloeden in haar midden toeliet en de leer van Bileam aannam. Moeilijke omstandigheden gelden niet als verontschuldiging voor wantoestanden in de gemeente. Hoewel deze gemeente leefde in een tijd waarin Satan op bijzondere wijze werkte, was het toch haar plicht zich te hoeden voor valse leerstellingen.
Bileam verleidde Israël tot éénwording met de heidenen, waardoor ze toegaven aan afgoderij en onzedelijkheid. (Numeri 22-25 en 31:13-16). Het was onmogelijk gebleken om de kerk te vernietigen door ver­volgingen. Integendeel de ver­volgingen bleken een zegen te zijn. Daarom sloeg Satan een andere richting in. Hij bracht Constantijn, de keizer van het Romeinse rijk ertoe om zich met de kerk te verbinden. Met de keizer kwam natuurlijk ook de godsdienst van de keizer binnen. Korte tijd later werd de heidense zondag wettelijk ingevoerd, in 321.

In 378 werd de bisschop van Rome opperpriester van de heidense cultus (Pontifex Maximus) en in de 15 jaren die volgden werd het gehele heidendom onder keizer Theodosius opge­nomen in de christelijke kerk. In feite werd het christendom ingeleverd voor het heidendom. Natuurlijk ging niet iedereen mee.

Er gebeurde in die tijd nog wat anders. Antipas, de getrouwe getuige werd gedood. Het woord antipas is dikwijls beschouwd als een afkorting van antipapist, tegen de vader (paus). Het was in deze tijd dat de kerkelijke hiërarchie uitgebouwd werd. Doordat er in de kerk een strenge scheiding kwam tussen geestelijken en leken verloor het volk, de gemeente, haar geestelijk karakter. Elk gemeentelid, een priester en elke handeling van een gelovige, een geestelijke handeling, werd weggedaan uit de kerk. God kon niet gediend worden door gewone leden in hun dagelijks werk.

Het monnikenwezen kwam op, de heiligen begonnen voorbede te doen en diegenen die een ambt hadden in de kerk behoorden voortaan tot de geestelijke stand. En wat gebeurde er met de mensen die het hier niet mee eens waren? Die werden gedood.
De kerk zelf werd vervolger. In 385 had de eerste terechtstelling plaats van ketters, alleen om hun geloofswil. Dat waren de eerste slachtoffers om hun protesteren tegen de afval. Hier zou het echter niet bij blijven. Vanaf nu zouden de ketters terechtgesteld worden en dat zou alleen maar erger worden. In dit tijdvak groeide de kerkelijke hiërarchie verder uit, totdat uiteindelijk de hele kerk georganiseerd was, natuurlijk onder de paus van Rome. Maar ook de ketters organiseerden zich opnieuw en staan in de geschiedenis bekend als de Katharen, de Waldenzen, de Albigenzen en vele andere namen.

TYATIRA
De gemeente van Pergamum was daar waar de troon van Satan was, de Tyatira gemeente bevind zich daar waar Izebel de profetes is. Hier raken wij het centrale punt van de boodschap aan Tyatira, die de langste is van de boodschappen aan de zeven gemeenten. De Oud­testamentische Izebel wordt hier naar voren gebracht als symbool en type van wat zich zou voordoen gedurende de 1260 jaren van pauselijke heerschappij.

Izebel was een heidense prinses, wreed en afgodisch, die door Achab, koning van Israël tot vrouw werd genomen. Zij gaf haar bevelen, bekrachtigd met het zegel van de koning om rechtvaardigen ter dood te brengen, l Koningen 18, 19, 21:7-15. De altaren van God werden afgebroken, heidense tempels werden opgericht, zij liet de profeten des Heren doden en leidde heel Israël in de afgoderij. Datzelfde speelde zich af in het christendom tijdens de donkere Middeleeuwen. Bijna elke evangeliewaarheid werd verdonkerd, de eenvoudige instellingen van Jezus werden verdrongen door heidense weelde en ceremonieën. Geestelijke leiders namen de plaats van Jezus in, men moest de mens meer gehoorzamen dan God.

Gedurende deze tijd was er een gemeente van God, maar zij bevond zich in de woestijn. Verborgen in de bergen op afgelegen plaatsen. Als men de Bijbel wilde lezen dan moest men eerst de deuren sluiten. Als men zendingswerk wilde verrichten moest men de afschriften van de evangeliën verbergen onder de koopwaar.

Daarom is het niet verwonderlijk dat de Waldenzen en hun bekeerlingen die wijd en zijd door Europa ver­spreid waren, toch nog vaak naar de katholieke kerk gingen om daar deel te nemen aan het avondmaal. Natuurlijk niet met de gedachte om deel te hebben aan de mis. Het is dit dat Jezus aanhaalt als Hij zegt: "Maar Ik heb tegen u, dat gij de vrouw Izebel laat begaan, die zegt, dat zij een profetes is, en zij leert en verleidt mijn knechten om te hoereren en afgodenoffers te eten." Openb. 2: 20.
Dit was niet overal zo, maar wat wel duidelijk uitgesproken wordt is dat er meer scheiding moest zijn met de katholieke kerk dan dat er in de praktijk aanwezig was. Gelukkig is dat niet altijd zo gebleven, de laatste werken in deze periode waren meer dan de eerste.

SARDES
Daarmee komen wij in een nieuwe periode. Een periode die gekenmerkt wordt door 'vernieuwing', de betekenis van het woord Sardes.

De kerkhervorming begint. Johannes Hus, John Wyclif, Maarten Luther, Johannes Calvijn, Menno Simons en vele, vele anderen begonnen een nieuw tijdperk, niet alleen in de kerk, maar ook in de wereld. Wel bleef de valse profetes Izebel profeteren, maar men keerde zich openlijk tegen haar. Geleidelijk vond men de waarheden terug die verloren waren gegaan. De gemeente krijgt een belangrijke raadgeving. "Bedenkt dan hoe gij het gehoord hebt en ontvangen". Men ging weer terug naar de bron, het Nieuwe Testament en de vroeg christelijke kerk.

Men begon weer waar het evangelie begint. Onze zonden werden Christus toegerekend, opdat de gerechtigheid van Christus ons toegerekend kan worden. Christus nam deel aan de menselijke natuur opdat wij deel hebben aan de goddelijke natuur. Toch werden niet alle leerstellingen opnieuw getoetst aan het woord en aan de leer van de vroeg christelijke kerk. De sabbat, de doop, de vrije genade en vele, vele andere zaken zijn niet echt teruggevonden.

Het duurde hon­derden jaren voordat men alles weer teruggevonden had. Velen bleven halverwege steken. Zij verborgen zich in een geloofsbelijdenis, hingen een dode orthodoxie aan. "Gij hebt de naam dat gij leeft, maar gij zijt dood". Maar zoals in alle perioden waren er ook nu mensen die luisterden naar de boodschappen die van God bleven komen. Naarmate de tijd vorderde stichtten zij broedergemeenten waar de partijgeest uitgebannen was. Zij stichtten zendingsgenootschappen, bijbelgenootschappen enz.
Toen Izebel op het ziekbed geworpen werd in 1798, toen zij de dodelijke wond ontving, begon men ook de profetieën beter te bestuderen. Dit alles leidde een nieuw tijdperk in.

FILADELFIA
De studie van de profetieën en de adventbeweging die daarvan het gevolg was, had als middelpunt van al haar hoop de wederkomst van Christus.

De wederkomst van Christus wordt in zicht gebracht. In de eerste brieven was er nog geen sprake van de wederkomst. In Tyatira werd de grote hoop gewekt: "Houdt dat vast totdat Ik gekomen ben."

In de Sardes periode wordt het meer dringend: "Indien gij niet wakker wordt zal Ik komen als een dief'. In de Filadelfia gemeente is de gebeurtenis nog dichterbij: "Ik kom spoedig."

De profetieën leerden dat de Heer zou komen in 1834-1844. Overal ging de boodschap rond en de mensen begonnen in te zien dat de wederkomst voorbereiding vereist. Eén van de belangrijkste dingen is de onderlinge eenheid.

Hoe kan bewezen worden dat ik God liefheb? Alleen door de broeders lief te hebben. Broederliefde is de voornaamste toets van discipel­schap. Lees daarvoor de eerste brief van Johannes. Alle onderlinge twisten werden bijgelegd, scheidsmuren, opgetrokken door geloofsbelijdenissen, werden afge­broken. De studie van de profetie en de verwachting van de komende Heer ging door alle kerken en geloofsgemeenschappen. Maar men werd teleurgesteld. In plaats van komst van Jezus naar de aarde om zijn kinderen op te halen, werd er een deur geopend in de hemel.

Hij die de sleutel van David had, kwam niet terug, maar begon een nieuw dienstwerk, een werk van oordeel en verzoening in het heilige der heiligen van de hemelse tempel. Want hoewel er grondig werk was verricht en de broederliefde hersteld was, was in het licht van Gods oordeel, in het oog van God, de gemeente nog steeds 'ellendig, arm, jammerlijk, blind en naakt'. Er moest, voordat de gemeente bestaan kon, een oordeel plaats vinden. In dit oordeel moet de gemeente gerechtvaardigd worden.

LAODICEA
Er kwam dus een nieuwe boodschap. Een boodschap die gericht is aan een volk in het oordeel. Een gemeente die licht ontvangen heeft over de dienst van Jezus in het hemelse heiligdom.

In het licht van het oordeel, in het licht van de tweede komst en in het licht van het strenge onderzoek van Gods gerechtigheid, is elke wedergeborene, hoewel een nieuwe schepping, 'ellendig, arm, jammerlijk, blind en naakt.'

De enige hoop ligt bij het betreden van de open deur, door in geloof binnen te gaan daar waar Jezus nu is en deel te hebben aan de weldaden van het verzoeningswerk dat daar verricht wordt:
* Het uitdelgen van de zonde
* Het deelhebben aan de late regen
* Het ontvangen van het zegel van de levende God
Als deze zaken ontvangen zijn dan is de gemeente echt in de Filadelfia toestand en kan zij met vertrouwen de ure der verzoeking tegemoet zien welke over de gehele wereld komen zal om te verzoeken allen die op de aarde wonen. Dan zal Christus ons bewaren omdat wij zijn woord bewaren. Dat is nu waar, dat is altijd waar, maar is op een bijzondere manier waar in die tijd, die spoedig komt.
(Bron: uit het blaadje "Jezus de vriend voor jong en oud" nummer 11)


(C) 2005 - Alle rechten voorbehouden

Deze pagina afdrukken