StartpaginaAlive artikelenDiverse Artikelen

Wilt u hierover met anderen gedachten wisselen, registeer u voor het forum en ga naar 'fundamentals'. Voor vragen kunt u in gesprek met de schrijver van dit stuk.

Ingezonden Arikel

De Godheid van Jezus Christus
Heel vaak word er aan de Godheid van Jezus getwijfeld. In dit document wil ik aan de hand van vele bijbelteksten laten zien dat Jezus God is.

Op de eerste plaats werd Jezus door een besluit de Zoon van God genoemd, tevoren werd Hij geen Zoon genoemd maar was Hij gelijk aan God deVader.
In Psalm 2:7 staat: “Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.” (St.vert.)
Dus in de bovengenoemde tekst wordt per decreet of besluit gezegd, dat Hij Gods Zoon is. Dat is Zijn titel op deze aarde geworden. In de King James vertaling staat dit: ” I will declare the decree: the LORD hath said unto me, Thou [art] my Son; this day have I begotten thee.” Deze versie is misschien iets duidelijker.
En de vervulling van deze tekst vinden wij in de menswording van Christus. Hij wordt Gods Zoon genoemd vanwege Zijn geboorte als mens op deze aarde en vanwege Zijn opwekking uit de dood. Handelingen 13:33 en Romeinen 1:4.
Nu een volgend bewijs.
Johannes 1,1.2.14: "In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid." (NGB)
Het Johannes-evangelie begint als het ware met God aan ons voor te stellen. God is het Woord. In vers 14 zien wij verder dat dus God, vlees werd en de mensen Hem als eniggeboren Zoon herkent hebben. De eniggeboren Zoon Gods is Jezus en de tekst zegt dat het Woord God is en aangezien het duidelijk is dat Jezus het Woord is blijkt daaruit dus duidelijk dat Jezus God is volgens dit Schriftgedeelte.

Maar wat betekent het dat het Woord vlees werd? In Romeinen 8:3,4 vinden wij een duidelijk antwoord: "Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees; God heeft, door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees, opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest." (NGB)
God stuurde zijn Zoon op deze aarde in de gedaante eens mensen. Zo werd Hij vlees. Na de zondeval was de mens van God gescheiden. Er was een grote onoverbrugbare kloof ontstaan tussen God en de mensen. Alleen God kon deze koof overbruggen. Daarom stuurde God zijn Zoon en Hij nam de gevallen menselijke natuur aan zonder te zondigen om zo de ladder tussen God en de mens te zijn (zie Johannes 1:51) zodat Hij verzoening tot stand kon brengen.
2 Corinthiers 5:19: "Dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd." (NGB)
Doordat God in Jezus mens werd, heeft God de gevallen mensen met zichzelf verzoend.
Wij hebben nu gezien dat volgens het Nieuwe Testament God mens is geworden. Laten wij nu in het kort kijken in het Oude Testament. Psalm 50:1-6 zegt: "De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang. / Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende. / Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen. / Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten. / Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten (heiligen staat in vele vertalingen), die Mijn verbond maken met offerande! / En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. (Statenvertaling)
In Prediker 3:17 staat geschreven: " Over de rechtvaardige en de onrechtvaardige zal God gericht oefenen, want er is voor elke zaak en voor elk werk een bestemde tijd." (NGB)
Bekijken wij stuk voor stuk deze bijbelteksten dan blijken die op Jezus te wijzen. Wat is het bewijs daarvoor? In Johannes 5:22 vinden wij een duidelijk antwoord: "Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het gehele oordeel aan de Zoon gegeven." (NGB)
Omdat in voornoemde Psalm sprake is dat God de rechter is en Jezus van de Vader het gericht heeft ontvangen kunnen wij er van uitgaan dat Jezus God is. Een ander bewijs in dit vers vinden wij in de zinsnede: "Vergadert mij mijne heiligen" wat op Jezus betrekking heeft volgens Mattheüs 24:31, waar staat, dat Jezus bij Zijn terugkomst Zijn engelen zal uitzenden om zijn uitverkorenen uit de vier windstreken te verzamelen.

Verder lezen wij dat God niet zal zwijgen. Wat staat er verder geschreven in de Bijbel over deze gebeurtenissen?
1.Thess. 4:16: "Want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan." (NGB)
De stem van de aartsengel bij de bazuin Gods blijkt de stem van de Zoon Gods te zijn. Zijn stem zal door alle volgelingen van Jezus, die in graf zijn, worden gehoord. De stem van Jezus zal ze uit de graven roepen. Waarom dat zo is blijkt uit het verband van de volgende tekst.
Johannes 5:28.29: " Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel."
Wanneer de doden de stem horen, worden ze samen met de nog in leven zijnde rechtvaardigen (zie 1 Thess. 4:17, de 144.000) opgenomen, om samen in de lucht Christus te ontmoeten. Dit is de gebeurtenis waarbij de heiligen vergadert worden (zie Psalm 50:1-6).
Nog een ander teken in Psalm 50 laat zien dat dit op de terugkomst van Jezus wijst. Er is sprake van een verterend vuur en het zal zeer stormen. We zouden het kunnen vergelijken met heftig onweer. .
2. Thess. 1:6-8: "Het inderdaad recht is bij God, aan uw verdrukkers verdrukking te vergelden, en aan u, die verdrukt wordt, verkwikking tezamen met ons, bij de openbaring van de Here Jezus van de hemel met de engelen zijner kracht, in vlammend vuur, als Hij straf oefent over hen, die God niet kennen en het evangelie van onze Here Jezus niet gehoorzamen." (NGB)
Jezus wordt bij zijn terugkomst in vlammend vuur geopenbaard.

Uit al de bijbelteksten van Psalm 50,1-6 kunnen wij de indrukwekkende beschrijving zien van Jezus terugkomst tot verlossing van Zijn volk. Jezus zou als geweldige (machtige) God verschijnen .
Jesaja 9:5: "Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst." (NGB)
Lang voordat Jezus Christus kwam sprak de profeet Jesaja deze woorden van troost tot Israel. Het zijn niet alleen de woorden van Jesaja. Het zijn de geïnspireerde woorden van de Geest Gods, omdat God zelf de Zoon aanspraak met God. In Psalm 45:6 kunnen wij deze woorden lezen: "Uw troon, o God, staat voor altoos en eeuwig, uw koninklijke scepter is een rechtmatige scepter." (NGB)
Men zou deze uitspraak van de psalmdichter als eenvoudig “lof” kunnen aannemen. Maar als wij het Nieuwe Testament erbij betrekken dan kunnen wij herkennen dat deze tekst veel meer te zeggen heeft. Wij zien dan dat God de Vader de Spreker van deze woorden is gericht aan zijn Zoon en Hem met God aanspreekt.
Lees Hebreeën 1:1-8: "Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft.
Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge, zoveel machtiger geworden dan de engelen, als Hij uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft.
Immers, tot wie der engelen heeft Hij ooit gezegd: (Psalm 2:7) Mijn Zoon zijt gij; Ik heb U heden verwekt?
En wederom: Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn.
En wanneer Hij wederom (2 Samuël 7:14) de eerstgeborene in de wereld brengt, spreekt Hij (Psalm 97:7): En Hem moeten alle engelen Gods huldigen. En van de engelen zegt Hij (Psalm 104:4): Die zijn engelen maakt tot winden en zijn dienaars tot een vuurvlam; maar van de Zoon: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid en de scepter der rechtmatigheid is de scepter van zijn koningschap. (NGB)
God had Jezus tot Erfgenaam over alles gemaakt. Jezus is een evenbeeld Gods. Hij doet de heerlijkheid Gods weerkaatsen. Sinds Jezus tot de Vader in de hemel is opgevaren is zijn naam verhoogd geworden en ook alle engelen zouden Hem aanbidden. Zijn Vader spreekt Hem met God aan en om deze reden mogen wij geloven dat Jezus God is.
In Marcus 10:17.18: " En toen Hij op weg ging, liep iemand op Hem toe, viel op de knieen en vroeg Hem: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? En Jezus zeide tot hem: Waarom noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen." (NGB)

Jezus zelf leerde dat Hij God is. Als een man wilde weten wat hij doen moet om het eeuwig leven te ontvangen vroeg hij: "Goede Meester", wat moet ik doen om het eeuwige leven te beerven? En Jezus zeide tot hem: Waarom noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan God alleen. (Marcus 10:17,18) (NGB)
Wat bedoelde Jezus met deze woorden? Wilde Jezus laten zien dat Hij niet goed is? Was dit een onderschatting van zichzelf? Allerminst! Jezus was zonder enige zonde en dus volkomen goed!! Tot de Joden die Hem observeerden om een foutje te vinden om Hem te beschuldigen zei Hij (Johannes 8:46):
"Wie van u overtuigt Mij van zonde?" (NGB)
Er bleek geen mens te vinden te zijn die Hem van een verkeerd woord of daad kon betichten. De mensen die Hem tenslotte beschuldigden en veroordeelden deden dat met valse getuigen. Vele teksten in de Bijbel bevestigen dat Jezus zonder zonde was.
1 Petrus 2:22: " Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden." (St.vert.)
2 Corinthiërs 5:21: "Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem." (NGB)
Psalm 92:16: "dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht." (St.vert.)
1. Johannes 3:5: "En gij weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij de zonden zou wegnemen, en in Hem is geen zonde." (NGB)

Jezus kon zichzelf niet verloochenen en daarom, volgens deze teksten, kon Hij niet zeggen dat Hij niet goed zou zijn. Hij was heel beslist goed in alles wat Hij deed. Hij trok het land door “goeddoende” zegt de Schrift. Bovendien is behalve God niemand goed! En wanneer Jezus volkomen goed is zo moet de conclusie zijn dat Jezus God is.
Opmerking: Dit betekent niet dat ieder wezen zonder zonde God zou zijn want in de Hemel zijn vele wezens (engelen) die zonder zonde zijn. Maar dit wijst op de Messias die van God was gezonden als volkomen Verlosser.
Johannes 14:8,9: "Filippus zeide tot Hem: Here, toon ons de Vader en het is ons genoeg. Jezus zeide tot hem: Ben Ik zolang bij u, Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader?" (NGB)
Dit antwoord heeft dezelfde strekking als de woorden in Johannes 10:30: "Ik en de Vader zijn een." (NGB / St.vert)
Jezus moest op deze aarde God geweest zijn zodat Hij op de vraag de Vader te laten zien kon zeggen: kijk mij aan dan zien jullie de Vader. Toen Jezus uitlegde dat Hij en de Vader een zijn begrepen ze het niet. Ze pakten stenen op en wilden Hem stenigen. Toen Jezus vroeg om welke daden ze hem wilden stenigen antwoorden ze volgens Johannes 10:33: "Niet om een goed werk willen wij U stenigen, maar om godslastering en omdat Gij, een mens, Uzelf God maakt." (NGB)
Zou Jezus alleen mens geweest zijn, wat de Joden geloofden, dan zouden de woorden van Jezus zeker godslastering zijn geweest. Maar omdat Jezus nooit heeft gezondigd en dus ook nooit heeft gelogen, kunnen wij concluderen dat Jezus ook God was.
2 Corinthiërs 5:19: "Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd." (St.vert.)
De opdracht van Jezus was om in Zijn volgelingen op deze aarde, God zo te openbaren, dat daardoor velen tot Hem zouden komen. Alleen het feit, dat wij ons niet met God kunnen verzoenen wijst erop dat God zichzelf, dus met God, de wereld met zich heeft verzoend. Dit is daarom een duidelijke aanwijzing van de godheid van Jezus Christus.
Een heel mooi bijbelgedeelte is Johannes 1: 1-14. Daar zien wij, dat het Woord, dat bij God was, vlees werd. Enkele verzen later in vers 18 komen wij er achter "Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard." (St.vert.)
Belangrijk is de uitdrukking de "eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is. Daar heeft Jezus zijn woonplek. Daar is een deel van de godheid hetzelfde, toen Hij op deze aarde was. Het gebruik van de tegenwoordige tijdsvorm duidt op de voortdurende aanwezigheid Gods. Het laat dezelfde gedachte zien die Hij tot de Joden sprak in (Johannes 8:58): "Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Eer Abraham was, ben Ik." (NGB / St.vert)
Deze woorden wijzen ons tot deze persoon, die Mozes zag in de brandende braamstruik" Ik ben, die Ik ben" of "Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob." en dat is Jezus!
Zoals wij hebben gezien is Jezus God en Rechter, dat Jezus de Rechter is wil ik nu even verder onderzoeken zo kunnen wij echt zien dat Jezus ons God is.
Jesaja 33:22: "Want de HEERE is onze Rechter, de HEERE is onze Wetgever, de HEERE is onze Koning. Hij zal ons behouden." (St.vert.) Dit is allemaal onze HERE Jezus!
2 Corinthiërs 5:10: "Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad." (NGB)
Prediker 12:13,14: "Vrees God en onderhoud zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen. Want God zal elke daad doen komen in het gericht over al het verborgene, hetzij goed, hetzij kwaad. (NGB)

Romeinen 2:16: "In den dag wanneer God de verborgene dingen der mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie. (NGB)

Romeinen 14:10: " Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden." (St.vert.) In de NGB staat geschreven: "Want wij zullen allen gesteld worden voor de rechterstoel Gods."
Bovendien is onze Heiland Jezus Christus ook de Schepper van hemel en aarde dit word duidelijk uit de volgenden teksten.
Epheziër 3:9: "En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus." (St.vert.)
dit is ook te lezen in Colossenzen 1:15-16: " Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping, want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen." (St.vert.)
Alleen een God kan scheppen en ook alleen God ons helpen bij de herschepping, zo ook bij de wedergeboorte hebben wij onze Heiland en Schepper nodig, wat hebben wij toch voor een prachtige God!
Nu heb ik nog een andere punt dat Jezus God is, omdat God alleen mag worden aanbeden. Exodus 20:4-5 “Gij zult u geen beeld maken, geen gedaante van iets dat aan den hemel daar boven, of op de aarde hier beneden, of in het water onder de aarde is; gij zult ze niet aanbidden of dienen; want ik, de Heer, uw god, ben een naijverig god; ik verhaal de schuld der vaderen op de kinderen, op het derde en het vierde geslacht mijner haters.” (Leidse Vertaling)
Johannes die het boek Openbaring had geschreven viel neer voor een engel en wilde hem aanbidden maar toen zei de engel: "Doe dit niet! Ik ben een mededienstknecht van u en uw broederen, die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid God!" (NGB) Dit staat te lezen in Openbaring 19:10!
Matth. 2:2; ze zijn toen gekomen om Hem “Jesus” te aanbidden. "en vroegen: Waar is de Koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen." (NGB)
Matth. 8:2; een melaatse aanbad Jezus: "En ziet, een melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen." (NGB)
Matth. 14:33; die aanbaden Jezus: "Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon! (St.vert.)
Matth. 28:9; zij grepen zijn voeten en aanbaden Jezus : "En zie, Jezus kwam haar tegemoet en zeide: Weest gegroet. Zij naderden Hem en grepen zijn voeten en zij aanbaden Hem." (NGB)
Lukas 4:8; Gij zult de Here u God aanbidden "En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Er staat geschreven: Gij zult de Here uw God, aanbidden en Hem alleen dienen." (NGB)
Ook in Joh 9:38; aanbaden ze Jezus: " En hij zeide: Ik geloof, Heere! En hij aanbad Hem." (St.vert.)
Openbaring 4:10,11 aanbaden diegene die leeft: "Zo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem, Die op den troon zat, en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hun kronen voor den troon, zeggende: Gij Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen. (NGB) Zie verder boven na Colossenzen 1:15-16
Tenslotte Openbaring 14:7 Wij worden opgeroepen om onze Schepper de Here Jezus te aanbidden omdat Hij hemel en aarde heeft geschapen! "Zeggende met een grote stem: Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid, want de ure Zijns oordeels is gekomen; en aanbidt Hem, Die den hemel, en de aarde, en de zee, en de fonteinen der wateren gemaakt heeft.” (St.vert.)
Nu heb ik nog enkele citaten van Ellen G.White onze profeet die dit ook zegt dat Jezus God is.
1. De Godheid en de Natuur van Christus
Christus, het Woord, de Eniggeborene van God, was één met de Eeuwige Vader - één in natuur, karakter, en doel - het enige Wezen dat inzage had in alle raadsbesluiten en bedoelingen van God. "Men noemt Zijnen naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Va­der der eeuwigheid, Vredevorst" (Jes. 9:5). "Zijn uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid (Micha 5:2). Patriarchen en Profeten p.9.
De Joden hadden nooit eerder zulke woorden van mensenlippen gehoord, en een overtuigende invloed ging ermee gepaard, want het leek alsof goddelijkheid door het menselijke straalde toen Je­zus zei: "Ik en de Vader zijn één." De woorden van Christus had­den een diepe betekenis toen Hij de uitspraak deed dat Hij en de Vader één in wezen waren en dezelfde eigenschappen bezaten. S.T. 27 nov. 1893, p. 54.
Toch was de Zoon van God de erkende Heerser van het heelal, bekleed met dezelfde macht en hetzelfde gezag als de Vader. G.S. 495.
Om de overtreder van Gods wet te redden, kwam Christus, de Gelijke aan de Vader, om bij de mensen de hemel voor te le­ven, zodat ze konden leren wat het wil zeggen, dat de hemel in het hart is. Hij illustreerde wat de mens moet zijn om de kostbare zegen van het leven dat aan het leven van God beant­woord, waardig te zijn." F.C.E., p. 179.
De enige manier waarop het gevallen mensdom kon worden hersteld, was door de gave van Zijn Zoon, Zijn Gelijke Die de eigenschappen van God bezit. Hoewel Christus zo hoog verheven was, stemde Hij toe de menselijke natuur op Zich te nemen, zo­dat Hij ten behoeve van de mens kon werken en Zijn ontrouwe onderdanen met God kon verzoenen. Toen de mens rebelleerde, pleitte Christus op Zijn eigen verdiensten ten behoeve van de mens en Hij werd de Plaatsvervanger en Borg voor de mens. Hij nam op Zich, ten voordele van de mens de machten der duister­nis te bestrijden; Hij overwon door de vijand der zielen te ver­slaan en de mens de beker der zaligheid toe te reiken. RH, 8 nov. 1892.
De wereld werd door Hem gemaakt, "en zonder Hem is geen ding gemaakt, dat gemaakt is". Als Christus alles heeft gescha­pen, bestond Hij voor alle dingen. De woorden die hierop betrek­king hebben, zijn zo afdoende, dat niemand hoeft te twijfelen. Christus was in wezen God in de hoogste zin van het woord. Hij was van alle eeuwigheid met God, God over alles, gezegend tot in eeuwigheid....
Er is licht en heerlijkheid in de waarheid dat Christus één was met de Vader, eer de wereld werd geschapen. Dit is het Licht dat schijnt in een duistere plaats en deze verlicht met god­delijke, oorspronkelijke heerlijkheid. Deze waarheid, die op zich­zelf oneindig mysterieus is, verklaart andere verborgen en op an­dere wijze onverklaarbare waarheden, omdat die gehuld zijn in een niet te benaderen en onbegrijpelijk licht. RH 5 april, 1906.
De Koning van het heelal riep de hemelse scharen voor Zijn troon om in hun tegenwoordigheid de ware positie van Zijn Zoon bekend te maken en Zijn verhouding tot alle geschapen wezens te tonen. Gods Zoon deelde de troon met de Vader en de heerlijk­heid van de Eeuwige, in Zichzelf Bestaande, omgaf Hen beiden. Patriarchen en Profeten, p. 11, 12.
Hoeveel een herder ook van zijn schapen mag houden, hij houdt toch meer van zijn zonen en dochters. Jezus is niet alleen onze Herder, Hij is ook onze "eeuwige Vader". En Hij zegt: "Ik ken de Mijnen, en word van de Mijnen gekend. Gelijkerwijs de Vader Mij kent, alzo ken Ik ook de Vader." Joh. 10:14, 15. Wat een geweldige uitspraak! De eniggeboren Zoon, Die aan de boezem van de Vader is, van Wie God gezegd heeft: "De Man die Mijn Metgezel is." (Zach. 13:7),- de omgang tussen Hem en de eeuwige God wordt aangewend om de omgang voor te stellen tussen Chris­tus en Zijn kinderen op aarde! Wens der Eeuwen. p. 401.
Nog steeds trachtte Jezus de juiste richting aan haar geloof te geven en zei: "Ik ben de Opstanding en het Leven." In Christus is leven, oorspronkelijk, van niemand afgeleid, echt leven. "Wie de Zoon heeft, heeft het leven." l Joh. 5:12. De godheid van Christus is voor de gelovige de zekerheid van het eeuwige leven. Wens der Eeuwen. p. 440.
Stilzwijgen viel over de menigte. Gods naam, aan Mozes be­kend gemaakt om de gedachte van eeuwige tegenwoordigheid on­der woorden te brengen, werd door deze Rabbi uit Galilea opge­ëist als de Zijne. Hij had van Zichzelf beweerd dat Hij in Zich­zelf bestond, dat Hij het was van Wie aan Israël was beloofd: "Wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid." Wens der Eeuwen. p.391.
De Verlosser der wereld was aan God gelijk. Zijn gezag stond gelijk aan het gezag van God. Hij beweerde dat Hij geen bestaan had gescheiden van de Vader. Het gezag waarmee Hij sprak en de wonderen deed, was absoluut het Zijne; toch geeft Hij ons de vezekering dat Hij en de Vader één zijn. RH, 7 jan., 1890, p. 1.
Jehova, de Eeuwige, in Zichzelf Bestaande, de Ongeschapene, de Bron en Onderhouder van alles, heeft alleen recht op volko­men eerbied en aanbidding. Patriarchen en Profeten, p. 270.
Jehova is de naam die aan Christus wordt gegeven. "Zie, God is mijn heil," schrijft de profeet Jesaja; "ik vertrouw en vrees niet, want mij sterkte en mijn psalm is de Here Here, en Hij is mij tot heil geweest. Dan zult gij met vreugde water scheppen uit de bronnen des heils. En gij zult te dien dage zeggen: "Looft de Here, roept Zijn naam aan, maakt onder de volken Zijn daden bekend, vermeldt dat Zijn naam verheven is." "Te dien dage zal in het land Juda dit lied gezongen worden: Wij hebben een sterke stad; Hij stelt heil tot muren en voorwal. Opent de poorten, op­dat een rechtvaardig volk binnenga, dat zijn trouw bewaart. Standvastige zin bewaart Gij in volkomen vrede, omdat men op U vertrouwt. Vertrouw op de Here voor immer, want de Here Here is een eeuwige Rots." ST, 3 mei, 1899, p. 2.
De hemelse poorten zullen opnieuw verhoogd worden, en met tienduizend maal tienduizenden en duizend maal duizenden heiligen zal onze Heiland uitgaan als Koning der koningen en Here der heren. Jehova Immanuel "zal Koning worden over de gehele aarde; te dien dage zal de Here de Enige zijn en Zijn naam de enige." BZ, 96.
Dit is de beloning van allen die Christus volgen. Jehova Imma­nuel, Hij "in Wie alle schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn," "in Wie alle de volheid der Godheid lichamelijk woont (Kol. 2:3, 9)" - genade te mogen vinden in Zijn ogen, Hem te kennen, Hem te bezitten, doordat het hart zich meer en meer openstelt om Zijn karaktereigenschappen te ontvangen; Zijn liefde en kracht te kennen, de ondoorgrondelijke rijkdommen van Christus te bezit­ten, meer en meer te begrijpen "hoe groot de lengte en breedte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods," - (Ef. 3:18, 19) "dit is het deel van de knechten des Heren en hun recht van Mijnentwege, luidt het woord des Heren." Jes. 54:17; BZ 36.
Voor de intrede van de zonde was er in het ganse heelal vre­de en vreugde. Alles was in volmaakte harmonie met de wil van de Schepper. De liefde tot God overheerste alles en de liefde voor elkaar was onbaatzuchtig. Christus, het Woord, de eniggebo­ren Zoon van God, was één met de Vader - één in natuur, één in karakter, één in doelstelling - het enige Wezen in het gehele universum dat deel had aan het overleg en inzicht in de plannen van God. De Vader heeft door Christus alle hemelse wezens ge­schapen. GS, p. 455.
Als de mensen de uitspraken van het door God ingegeven Schriftwoord over de Godheid van Christus verwerpen, wordt elke discussie over dit punt zinloos, want men zal met geen enkel ar­gument, hoe afdoend ook, kunnen overtuigen.
"Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods Is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is." l Kor. 2:14. Niemand die deze dwa­ling aanneemt, kan zich een juist beeld vormen van het karakter en de opdracht van Christus, of een juiste kijk hebben op het verlossingsplan. GS, 482.
2. Het Eeuwig Voorbestaan van Christus
De Here Jezus Christus, de goddelijke Zoon van God, bestond vanaf alle eeuwigheid als een onderscheiden persoon, en toch was Hij één met de Vader. Hij was de overweldigende heerlijkheid van de hemel. Hij was de Aanvoerder van de hemelse engelen en de aanbiddende hulde van de engelen aanvaardde Hij als een recht. Hierdoor beroofde Hij God niet. RH 5 april, 1906.
Terwijl Christus sprak over Zijn voorbestaan, leidde Hij de gedachten door eindeloze eeuwen terug. Hij geeft ons de verzeke­ring dat er nooit een tijd geweest is, waarin Hij niet nauw ver­bonden was met de eeuwige God. Hij, naar wiens stem de Joden toen luisterden, was bij God geweest als Eén, Die met Hem was opgegroeid. ST 29, 8 aug., 1900.
Hier laat Christus zien, dat al gingen zij uit van de gedachte dat Hij nog geen vijftig jaar oud was, toch Zijn goddelijk leven niet naar menselijke berekening bepaald kon worden. Het bestaan van Christus voor Zijn menswording is niet met getallen af te meten. ST 3 mei, 1899.
Van alle eeuwigheid af was Christus met de Vader verenigd en toen Hij de menselijke natuur op Zich nam, was Hij toch nog één met God. ST 2 aug., 1905.
Toen Christus de hemelse poorten binnenging, werd Hij temid­den van de aanbiddende engelen op de troon verheven. Zodra de­ze plechtigheid had plaats gevonden, daalde de Heilige Geest in rijke stromen op de discipelen neer en Christus werd in werkelijk­heid verheerlijkt met de heerlijkheid, die Hij van eeuwigheid af bij de Vader had. Jer. tot Rome, p. 27.
Maar hoewel Gods Woord spreekt over de menselijkheid van Christus terwijl Hij op aarde was, wordt daarin ook duidelijk over Zijn voorbestaan gesproken. Het Woord bestond als een goddelijk Wezen, ja, als de eeuwige Zoon van God, verenigd en één met Zijn Vader. Van eeuwigheid af was Hij de Middelaar van het ver­bond, in wie alle volken op aarde, zowel Joden als heidenen, ge­zegend zouden worden als ze Hem zouden aannemen. "Het Woord was bij God en het Woord was God." Alvorens mensen of engelen werden geschapen, was het Woord bij God en was God. RH 5 april, 1906.
Een mens leeft, maar hij heeft het leven gekregen, een leven dat uitgeblust zal worden. "Wat is uw leven? Het is een damp, die voor een korte tijd blijft en dan verdwijnt." Maar het leven van Christus is geen damp; het eindigt nooit; het Is een leven dat bestond eer de werelden werden geschapen. ST 17 juni, 1897. Van de dagen der eeuwigheid was de Here Jezus Christus één met de Vader. Hij was het beeld Gods, het beeld van Zijn groot­heid en majesteit, "de afstraling van Zijn heerlijkheid." Wens der Eeuwen p.11.
Hij was één met de Vader eer de engelen werden geschapen. Sp. of Prophecy, vol. l, p.17.
Christus was werkelijk in de volle betekenis van het woord God. Hij was God van alle eeuwigheid af, God boven alles, geze­gend tot in eeuwigheid. RH 4 april, 1906.
Gods naam, aan Mozes genoemd om de gedachte van eeuwigtegenwoordigheid onder woorden te brengen, was door deze Rabbi uit Galilea opgeëist als de Zijne. Hij had van Zichzelf beweerd dat Hij de Ene in Zichzelf Bestaande was, dat Hij het was die aan Israël was beloofd: "Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid." Micha 5:1. Wens der Eeuwen, p. 391.
Hierin (Gods Woord) kunnen wij vinden wat onze verlossing heeft gekost aan Hem, Die van de beginne één was met de Va­der. CPT, p. 13.

3. Drie Personen in de Godheid

Er zijn drie levende personen in het hemelse Trio; in de naam van deze drie grote machten - de Vader, de Zoon en de Heilige Geest - worden zij, die door een levend geloof Christus aanne­men, gedoopt, en deze machten zullen met de gehoorzame onder­danen van de hemel samenwerken bij hun inspanningen om het nieuwe leven in Christus te leven. Evang. p. 615.

De Godheid werd vervuld met medelijden voor het mensdom en de Vader, de Zoon en de Heilige Geest zetten Zich in om het verlossingsplan uit te werken. CH, p. 222.
Zij die de drie-engelenboodschap verkondigen, moeten de gehe­le wapenrusting Gods aandoen, om moedig op hun post te kunnen staan, met laster en bedrog voor ogen, terwijl ze de goede strijd des geloofs strijden en de vijand weerstand bieden met de woor­den: "Er staat geschreven." Plaats uzelf daar, waar de drie grote machten des hemels, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, u van dienst kunnen zijn. Deze machten werken samen met wie zich zonder beperking aan God geven. De hemelse kracht staat ter beschikking van hen die God geloven. Hij die God tot zijn ver­trouwen stelt, wordt beschermd door een onzichtbare muur. Sou­thern Watchman, 23 febr. 1904.
Onze heiligmaking is het werk van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Het is de vervulling van het verbond dat God ge­maakt heeft met hen, die zich met Hem verbinden, die staan naast Hem, naast Zijn Zoon en naast de Heilige Geest, in een heilige gemeenschap. Bent u wedergeboren? Bent u een nieuwe schepping in Christus Jezus geworden? Werk dan samen met de drie grote machten in de hemel, die voor u werken. Als u dit doet, zult u aan de wereld de beginselen der gerechtigheid open­baren ST 19 juni, 1901.
De eeuwige hemelse Waardigheidsbekleders - God, Christus en de Heilige Geest - die hen (de discipelen) toerustten met meer dan sterfelijke energie,... willen met hen voortgaan in het werk en de wereld van zonde overtuigen. Evan. p. 606.
Wij moeten samenwerken met de drie grootste machten van de hemel - met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, - en de­ze machten zullen door ons werken en ons maken tot Gods mede­werkers. Evan. p. 617.
Zij, die gedoopt zijn in de drievoudige naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, maken bij het eerste begin van hun christelijk leven publiek openbaar, dat ze de dienst van Satan heb­ben losgelaten en leden zijn geworden van de koninklijke familie, kinderen van de hemelse Koning. 6 T, p. 91.
Wat is Jezus toch een geweldige God, amen!

De Natuur van Christus gedurende menswording

1. De Verborgenheid van de Menswording

Het menszijn van Gods Zoon betekent alles voor ons. Het is de gulden keten die ons met Christus verbindt, en door Christus met God. Dit moet onze studie zijn. Christus was werkelijk mens; Hij gaf het bewijs van Zijn nederigheid door mens te worden. Toch was Hij God in het vlees. Als wij dit onderwerp benaderen, doen wij er goed aan, acht te slaan op de woorden van Christus tot Mozes bij het brandende braambos: "Doe de schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat, is heilige grond." Wij moeten deze studie benaderen met de nederigheid van iemand die met een berouwvol hart leert. De studie van de menswording van Christus is een vruchtbaar terrein, dat de zoeker, die diep graaft naar verborgen schatten, zal belonen. YI 13 okt. 1898.

Het enige plan dat bedacht kon worden om het mensdom te redden, was het plan dat de menswording, vernedering en kruisi­ging van Gods Zoon, de Majesteit des hemels vereiste. Nadat het verlossingsplan was uitgedacht, had Satan geen vaste grond meer waarop hij zijn suggestie kon bouwen dat God niets kon geven om zo'n onbetekenend schepsel als een mens. ST, 20 jan. 1890.

Als wij nadenken over de menswording van Christus In nederig­heid, staan wij voor een raadsel, voor een ondoorgrondelijk myste­rie, dat de menselijke geest niet kan bevatten. Hoe meer wij er over nadenken, des te verbazingwekkender schijnt het. Hoe groot is de tegenstelling tussen de goddelijkheid van Christus en het hulpeloze kindje in de kribbe van Bethlehem!

Hoe kunnen wij de afstand overbruggen tussen de machtige God en een hulpeloos kind? En toch was de Schepper van werelden, Hij in Wie de vol­heid der Godheid lichamelijk woont, openbaar in het hulpeloze kindje in de kribbe. Ver boven alle engelen, aan de Vader gelijk in waardigheid en heerlijkheid, en toch bekleed met het kleed der menselijkheid! Goddelijkheid en menselijkheid waren op een verborgen wijze verenigd, en mens en God werden één. In deze eenheid ligt de hoop voor het gevallen mensdom. Als wij in nede­righeid op Christus zien, zien we op God; wij zien in Hem de afstraling van Zijn heerlijkheid, het uitgedrukte beeld van Zijn zelfstandigheid. ST 30 juli, 1896.

Als de evangeliewerker het leven van Christus bestudeert en stilstaat bij de aard van zijn werk, zal elk nieuw onderzoek iets meer openbaren van groter belang, meer dan tot dusver ontvouwd is. Het onderwerp is onuitputtelijk. De studie van de menswording van Christus, Zijn verzoenend offer en middelaarswerk, zullen het denken van de ijverige student bezighouden zolang er tijd zal zijn. Gospel Workers p. 251.

Het is inderdaad een mysterie dat God op deze wijze in het vlees geopenbaard zou worden. Zonder de hulp van de Heilige Geest kunnen wij niet hopen dit onderwerp te verstaan. De meest vernederende les die de mens moet leren, is dat menselijke wijs­heid niets betekent, dat het dwaasheid is om door eigen pogingen God te vinden. RH 5 april, 1906.
Werd de menselijke natuur van de Zoon van Maria veranderd in de goddelijke natuur van de Zoon van God? Nee; beide naturen werden op mysterieuze wijze verenigd in één persoon - de mens Jezus Christus. In Hem woonde alle volheid der Godheid lichame­lijk....

Dit is een groot mysterie, een verborgenheid die in al zijn grootheid nooit ten volle zal worden verstaan eer de verheerlij­king van de verlosten zal plaats vinden. Dan zullen de macht, de grootheid en doeltreffendheid van Gods gave aan de mens be­grepen worden. Maar de vijand is vastbesloten ervoor te zorgen dat deze gave als zo geheimzinnig wordt gezien, dat ze alle bete­kenis verliest. ZDA BC dl.5, p. 113.

Wij kunnen het grote mysterie van het verlossingsplan niet verklaren. Jezus heeft menselijkheid op Zich genomen, opdat Hij de mensheid zou kunnen bereiken; maar wij kunnen niet verklaren hoe goddelijkheid met menselijkheid bekleed kon worden. Een engel zou niet hebben geweten hoe hij met de gevallen mens kon meevoelen, maar Christus kwam naar deze wereld en onderging al onze verzoekingen, droeg al onze smarten. RH 10 okt, 1889.

2 Wonderlijke Vereniging van het Menselijke en het Goddelijke
Terwijl Christus zijn koninklijke kroon aflegde, bekleedde Hij Zijn goddelijkheid met menselijkheid, opdat de mens opgetrokken kon worden uit zijn ontaarding en in een gunstige positie gebracht kon worden. Christus had niet naar deze aarde kunnen komen met de heerlijkheid die Hij in de hemel had. Zondige mensen had­den die aanblik niet kunnen verdragen. Hij hulde Zijn goddelijkheid in een menselijk gewaad, maar deed geen afstand van Zijn goddelijkheid.
Als een goddelijk-menselijke Heiland kwam Hij om Zich te plaatsen aan het hoofd van het gevallen mensdom, om deel te hebben aan hun ervaring van de kinderjaren tot de volwassen­heid. Hij kwam naar deze aarde en leidde een leven van volmaak­te gehoorzaamheid, opdat de mens deel zou kunnen hebben aan de goddelijke natuur. RH 15 juni, 1905.
In Christus gingen goddelijkheid en menselijkheid samen. De goddelijkheid werd niet vernederd tot menselijkheid. De goddelijk­heid behield haar plaats, maar de menselijkheid kon, door vereni­ging met de goddelijkheid, weerstand bieden aan de felste toets der verzoeking in de woestijn. De vorst dezer wereld kwam bij Christus toen deze lange tijd had gevast en honger had; hij stel­de Hem voor, te bevelen dat de stenen broden zouden worden. Maar Gods plan, uitgedacht voor de redding van de mens, voorzag dat Christus honger, armoede en elke andere fase van menselijke ervaring zou leren kennen. RH 18 febr. 1890.

Hoe meer we er over nadenken dat Christus op deze aarde een kindje werd, des te verwonderlijker lijkt het. Hoe is het mo­gelijk dat de hulpeloze baby in de kribbe te Bethlehem nog steeds de goddelijke Zoon van God is? Al kunnen wij het niet begrijpen, we kunnen toch geloven dat Hij, die de werelden heeft gemaakt, terwille van ons een hulpeloos kind is geworden. Hoewel Hij boven de engelen stond, hoewel Hij even groot was als de Vader op de troon des hemels, werd Hij één met ons. In Hem zijn God en mens één geworden; en in dit feit vinden wij de hoop van ons gevallen mensdom. Als wij op Christus in het vlees zien, zien wij op God in menselijkheid; we zien in Hem de uitstraling van goddelijke heerlijkheid, het uitgedrukte beeld van God de Vader. YI 21 nov. 1895.

Niemand kon bij het zien op dat kinderlijke gelaat, dat straal­de van bezieling, zeggen dat Christus net als andere kinderen was. Hij was God in menselijk vlees. Als Zijn metgezellen er bij Hem op aandrongen om kwaad te doen, straalde de goddelijkheid door het menselijke en Hij weigerde beslist. Ogenblikkelijk maakte Hij onderscheid tussen goed en kwaad, en stelde de zonde in het licht van Gods geboden, terwijl Hij de wet hoog hield als een spiegel, die licht wierp op hel kwaad. YI 8 sept. 1898.

Als lid van het menselijk geslacht was Hij sterfelijk, maar als God was Hij de Bron van leven voor de wereld. In Zijn godde­lijkheid had Hij altijd weerstand kunnen bieden aan het naderen van de dood en had Hij kunnen weigeren in de macht ervan te komen. Maar Hij legde vrijwillig Zijn leven af, opdat Hij, door zo te doen, leven en onsterfelijkheid aan het licht kon brengen.... Wat een vernedering! Engelen waren verbaasd! De tong kan het nooit beschrijven, de verbeelding kan het niet bevatten. Het eeuwige Woord stemde toe vlees te worden. God werd mens! RH 5 juli, 1887.

De apostel wilde onze aandacht van onszelf afwenden en rich­ten tot de Overste Leidsman onzer zaligheid. Hij houdt ons Zijn twee naturen voor, goddelijke en menselijke.... Vrijwillig nam Hij de menselijke natuur op Zich. Het was Zijn eigen daad en Zijn eigen vrije keus. Hij bekleedde Zijn goddelijkheid met menselijk­heid. Al die tijd was Hij God, maar Hij vertoonde Zich niet als God. Hij omhulde de bewijzen van de godheid, die aanbidding had­den vereist en de bewondering van Gods universum hadden opge­roepen.

Hij was God toen Hij op aarde was, maar Hij ontdeed Zich van de gedaante van God en nam in plaats daarvan vorm en uiterlijk van een mens aan. Hij bewandelde de aarde als een mens. Om onzentwil werd Hij arm, opdat wij door Zijn armoede rijk zouden worden. Hij legde Zijn heerlijkheid en majesteit af. Hij was God, maar van de heerlijkheid van de gedaante van God deed Hij voor een tijd afstand.... Hij droeg de zonden van de we­reld en onderging de straf, die als een berg op Zijn goddelijke ziel drukte. Hij gaf Zijn leven als offer, opdat de mens niet voor eeuwig zou sterven. Hij stierf, niet omdat Hij moest sterven, maar uit eigen vrije keus. RH 5 juli, 1887
.
Werd de menselijke natuur van de Zoon van Maria veranderd in de goddelijke natuur van de Zoon van God? Neen; beide natu­ren werden op mysterieuze wijze verenigd in één persoon - de Mens Christus Jezus. In Hem woonde al de volheid der godheid lichamelijk. Toen Christus gekruisigd werd, stierf Zijn menselijke natuur. De godheid stierf niet; dat zou onmogelijk zijn geweest. 5 BC, p. 1113.

3. Hij Nam de Menselijke Natuur op Zich
Christus kwam naar de aarde, nam menselijkheid aan en stond daar als Vertegenwoordiger van de mens om in de strijd tegen Satan te laten zien dat de mens, zoals God hem had geschapen, verbonden met de Vader en de Zoon, elk goddelijk gebod kon ge­hoorzamen. ST 9 juni, 1898.

Christus wordt de tweede Adam genoemd. In reinheid en hei­ligheid verbonden met God en geliefd door God. Hij begon waar de eerste Adam begon. Gewillig betrad Hij het terrein waar Adam viel en Hij herstelde Adams fout. YI 2 Juli, 1898.
In de volheid der tijden zou Hij in menselijke gedaante geopen­baard worden. Hij moest Zijn positie aan het hoofd van de mens­heid innemen door de natuur, maar niet de zondigheid van de mens aan te nemen. In de hemel werd een stem vernomen: "De Verlosser zal tot Sion komen en tot hen die zich afwenden van de overtreding in Jakob, zegt de Here." ST 29 mei, 1901.

Toen Christus Zijn hoofd boog en stierf, sleurde Hij de zuilen van Satans koninkrijk mee naar beneden. Hij overwon Satan in dezelfde natuur waarover Satan in het paradijs de overwinning had behaald. De vijand werd door Christus in Zijn menselijke na­tuur overwonnen. De macht van de Godheid van Christus was ver­borgen. Hij overwon in de menselijke natuur, terwijl Hij op God vertrouwde om kracht. YI 25 mei, 1901.

Door de menselijke natuur in zijn gevallen toestand op Zich te nemen, had Christus niet in het minst deel aan de zonde er­van. Hij was onderworpen aan de kwalen en zwakheden waarmee de mens is omgeven, opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken was door de profeet Jesaja: "Onze zwakheden heeft Hij op Zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen." Hij kende het ge­voel van onze zwakheden en werd in alle dingen verzocht gelijk als wij. En toch wordt er gezegd "Die de zonde niet gekend heeft. Hij was het onberispelijke en vlekkeloze Lam."

Als Satan ook maar in het geringste Christus tot zonde had kunnen verlei­den, zou hij het hoofd van de Heiland hebben verbrijzeld. Zoals de zaken nu lagen, kon hij slechts Zijn hiel verbrijzelen. Als het hoofd van Christus getroffen was, zou de hoop van het mensdom vergaan zijn. De toorn van God zou op Christus zijn gekomen zoals dat met Adam was gebeurd.... Wij moeten geen onjuiste voorstelling hebben wat betreft de volkomen zondeloosheid van de menselijke natuur van Christus. 5 BC, 1131.

Wees voorzichtig, heel voorzichtig, hoe u stilstaat bij de men­selijke natuur van Christus. Houd Hem de mensen niet voor als iemand met de aangeboren neiging tot zondigen. Hij is de tweede Adam. De eerste Adam werd geschapen als een zuiver zondeloos wezen, zonder dat er een spoor van zonde aan hem kleefde. Hij was geschapen naar Gods beeld. Hij kon vallen, en is gevallen door overtreding. Als gevolg van de zonde werd zijn nageslacht geboren met de daaraan verbonden neigingen tot ongehoorzaam­heid. Maar Jezus Christus was de eniggeboren Zoon van God. Hij nam de menselijke natuur op zich en werd in alles verzocht, zoals de menselijke natuur verzocht wordt. Hij had kunnen zondigen; Hij had kunnen vallen, maar geen enkel moment was er in Hem een boze neiging tot zonde. Hij werd in de woestijn door verzoe­kingen aangevallen, evenals Adam door verzoekingen werd aange­vallen in de hof van Eden. 5 BC, p. 1128.

Gods Zoon vernederde Zich en nam de natuur van de mens op Zich, nadat het mensdom vierduizend jaar van het paradijs en van hun oorspronkelijke staat van reinheid en oprechtheid was afgedwaald. Zonde had zijn vreselijke kenmerken eeuwenlang op het mensdom zichtbaar gemaakt; lichamelijke en zedelijke ontaar­ding heerste in het menselijk geslacht. Toen Adam door de verzoeker in het paradijs werd aangevallen, was op hem geen smet van zonde.... Christus stond in de woestijn der verzoeking in de plaats van Adam om de toets te ondergaan waarin hij tekort schoot. RH 28 juli, 1874.


Vermijd elke vraag met betrekking tot de menselijkheid van Christus, die verkeerd begrepen kan worden. De waarheid ligt dicht bij het pad van de aanmatiging. Als u het hebt over de menselijkheid van Christus, moet u heel goed acht slaan op elke bewering, opdat er niet meer van uw woorden gemaakt wordt dan de bedoeling is en u op deze wijze het duidelijk begrip van Zijn menselijkheid, verenigd met Zijn goddelijkheid, uit het oog verliest of verduistert.
Zijn geboorte was een wonder van God.... Laat nooit, hoe dan ook, in het minst de indruk achter op de menselij­ke geest dat ook maar een smet van, of een neiging tot verdor­venheid op Christus rustte, of dat Hij ook maar in het geringste toegaf aan de verdorvenheid. Hij werd in alle dingen verzocht zoals de mens verzocht wordt en toch wordt Hij 'het Heilige' genoemd. Het is een mysterie dat voor stervelingen onverklaarbaar blijft, dat Christus in alle dingen verzocht kon worden als wij, zonder te zondigen. De menswording van Christus is altijd een mysterie geweest en zal het ook altijd blijven. Datgene wat ge­openbaard is, is voor ons en voor onze kinderen, maar ieder mens zij gewaarschuwd om Christus volledig menselijk te maken zoals wij zijn, want dat is onmogelijk. 5 BC p. 1128, 1129.
Wat een tegenstrijdigheden komen samen en worden openbaar in de persoon van Christus! De machtige God, en toch een hulpe­loos kind! De Schepper van de gehele wereld en toch in een we­reld die Hij geschapen had, vaak hongerig en vermoeid, zonder een plaats om Zijn hoofd neer te leggen. De Zoon des mensen, en toch oneindig hoger dan de engelen! Gelijk aan de Vader, en toch de goddelijkheid bekleed met menselijkheid, aan het hoofd van het gevallen mensdom, zodat menselijke wezens in een voor­delige positie geplaats konden worden! Bezitter van eeuwige rijk­dommen, terwijl hij toch een leven leidde van een arme! Eén met de Vader in waardigheid en macht, toch in Zijn menselijkheid ver­zocht in alle dingen evenals wij! Op het moment van Zijn lijden en sterven aan het kruis een Overwinnaar, die het verzoek van een berouwvolle zondaar om aan hem te denken als Hij in Zijn koninkrijk kwam, beantwoordde! ST 26 april, 1905.

4. Nam de Aanleg van de Menselijke Natuur op Zich
De leerstelling van de menswording van Christus in menselijk vlees is een geheimenis "die eeuwen- en geslachtenlang verbor­gen is geweest." Het is het grote en diepgaande geheim der god­zaligheid....

Christus deed niet alsof Hij de menselijke natuur aannam: Hij nam deze werkelijk aan. Hij bezat in werkelijkheid de menselijke natuur. "Daar nu de kinderen deelhebben aan vlees en bloed, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen." Hij was de Zoon van Maria; naar menselijke afstamming was Hij uit het geslacht van David. RH 5 april, 1906.
Hij kwam naar deze wereld in menselijke gedaante om als mens onder de mensen te wonen. Hij nam de aanleg van de men­selijke natuur op Zich om beproefd en verzocht te worden. In Zijn menselijkheid had Hij deel aan de goddelijke natuur. In Zijn menswording kreeg Hij in nieuwe zin de titel "Zoon van God." ST 2 aug. 1905.

Maar onze Heiland heeft de menselijke natuur op Zich geno­men, met alles waaraan deze is blootgesteld. Hij nam de natuur van de mens aan met de mogelijkheid om toe te geven aan de verzoeking. Wij behoeven niets te dragen wat Hij niet reeds heeft doorstaan. Wens der Eeuwen p.86.

Christus droeg de zwakheden en kwalen van het mensdom zo­als deze bestonden toen Hij naar de aarde kwam om de mens te helpen. Hij moest ten behoeve van het mensdom weerstand bieden aan de verzoekingen van Satan op alle punten, waar de mens zou worden aangevallen, terwijl de zwakheid van de geval­len mens op Hem drukte. RH 28 7 juli, 1874.
In alle dingen werd Jezus aan de broederen gelijk gemaakt. Hij is mens geworden zoals wij zijn. Hij had net als wij honger en dorst en was moe. Hij werd gesterkt door voedsel en verkwikt door slaap. Hij deelde het lot van de mens. Toch was Hij de vlek­keloze Zoon van God. Hij was God in het vlees. Zijn karakter moet de onze worden. Wens der Eeuwen p.252.
De menselijke natuur van Christus was gelijk aan de onze en het lijden werd door Hem scherper gevoeld, want Zijn geestelijke natuur was vrij van elke smet van zonde. Daarom was Zijn wens, dat het lijden zou worden weggenomen, sterker dan de mensen kunnen ervaren....
Gods Zoon verdroeg de toorn van God tegen de zonde. Alle zonden der wereld werden gelegd op de Zondedrager, op. Hem die onschuldig was, op Hem die alleen verzoening voor de zonden kon doen omdat Hijzelf gehoorzaam was. Hij was één met God. Geen enkele smet van verderf rustte op Hem. ST 9 dec. 1897.

Als één met ons, moest Hij de last van onze schuld en ons leed dragen. De Zondeloze moest de schande van de zonde voelen.... Elke zonde, iedere onenigheid, elke verontreinigende begeer­te als gevolg van de zonde betekende een kwelling voor Hem. Wens der Eeuwen p.81.

De last van de zonden der wereld drukten op Zijn ziel en Zijn gelaat weerspiegelde onuitsprekelijke smart, een diepe zielsangst die de gevallen mens nooit had beseft. Hij voelde de overweldi­gende vloed van jammer waardoor de wereld werd overspoeld. Hij besefte de kracht van het toegeven aan de begeerte en onhei­lige hartstocht waardoor de wereld werd beheerst. RH 4 aug. 1874.

Bij de verzoening werd absoluut recht gedaan. In plaats van de zondaar kreeg de vlekkeloze Zoon van God de straf en de zon­daar gaat vrijuit zolang hij Christus aanneemt en vasthoudt als zijn persoonlijke Zaligmaker. Hoewel hij schuldig is, wordt hij als schuldeloos beschouwd. Christus vervulde elke eis door het recht gesteld. YI 25 april, 1901.
Hij droeg schuldeloos de straf van de schuldigen. Hoewel on­schuldig offerde Hij Zichzelf als Plaatsvervanger voor de overtre­der. De last van elke zonde drukte zwaar op de goddelijke ziel van de Verlosser der wereld. ST 5 dec. 1892.
Hij nam onze zondige natuur op Zijn zondeloze natuur, opdat Hij kon weten hoe Hij hen, die verzocht werden, te hulp kon ko­men. MM, p.181.

5. In Alle Dingen Verzocht
Alleen Christus kende uit ervaring alle verdriet en verzoekin­gen waardoor de mensen getroffen worden. Nooit werd één, uit een vrouw geboren, zo fel aangevallen door de verzoeking; nooit verdroeg iemand anders zo'n zware last van de zonde en pijn van deze wereld. Nooit is er iemand geweest, wiens meegevoel zo veelomvattend en teder was. Hij kon als iemand die deelde in alle ervaringen van de mensheid niet alleen gevoel opbrengen voor, maar ook meegevoel hebben met iedereen, die belast is, verzocht wordt en strijdt. Ed., p 76.

God was in Christus in menselijke gedaante en onderging alle verzoekingen die de mens omgaven; ten onzen behoeve had Hij deel aan het lijden en de beproevingen van de lijdende menselijke natuur. The Watchman, 10 dec., 1907.
Hij "werd in alle dingen verzocht als wij." Satan stond klaar om Hem bij elke stap aan te vallen en Hem zijn felste verzoekin­gen toe te slingeren; toch "Die geen zonde gedaan heeft en in Wiens mond geen bedrog is gevonden." "Die in verzoekingen gele­den heeft; Hij leed naarmate de volmaaktheid van Zijn heiligheid. Maar de vorst der duisternis vond in Hem niets; geen enkele gedachte of gevoel ging in op de verzoeking. 5 T p. 422.

Het ware te wensen dat wij de betekenis konden verstaan van de woorden: "Die verzoekingen geleden heeft." Hoewel Hij vrij was van de smet der zonde, maakte het fijne gevoel van Zijn heilige natuur de aanraking van het kwaad onuitsprekelijk pijnlijk voor Hem. Maar terwijl Hij de menselijke natuur bezat, trad Hij de aartsafvallige moedig tegemoet en bood van man tot man weerstand aan de vijand van Zijn troon. Zelfs niet in gedachte kon Christus ertoe gebracht worden toe te geven aan de kracht van de verleiding.

Satan vindt in het menselijk hart aanknopings­punten waar hij een houdvast kan vinden; er wordt een zondig verlangen gekoesterd, door middel waarvan zijn verzoekingen hun macht verstevigen. Maar Christus zei van Zichzelf: "De overste dezer wereld komt en heeft aan Mij niets." De stormen v
an ver­zoeking barstten over Hem los, maar ze konden Hem niet afbren­gen van Zijn trouw aan God. RH 8 nov. 1887.
Ik merk dat er gevaar bestaat in het benaderen van onderwer­pen, die stilstaan bij de Zoon van de oneindige God. Hij verneder­de Zichzelf toen Hij zag dat Hij in de gedaante van een mens was, opdat Hij de kracht zou kunnen weerstaan van alle verleidin­gen waaraan een mens blootstaat....

Bij geen enkele gelegenheid ging Hij in op de veelvuldige ver­leidingen. Geen enkele maal begaf Christus Zich op het terrein van Satan, waardoor deze voordeel zou verkrijgen. Satan vond niets in Hem dat aanmoedigde om Hem te benaderen. 5 BC 1129.

Velen beweren dat Christus onmogelijk voor de verleiding had kunnen bezwijken. Als dat waar zou zijn, had Hij niet in Adams plaats kunnen staan. Hij had niet de overwinning kunnen behalen die Adam gemist had. Als wij in een of ander opzicht een zwaar­dere strijd hebben dan Christus heeft gehad, zou Hij ons niet te hulp kunnen komen. Maar onze Heiland heeft de menselijke na­tuur met alle aanleg op Zich genomen. Hij nam de natuur van de mens aan met de mogelijkheid om aan verleiding toe te geven. Wij behoeven niets te verdragen wat Hij niet reeds verdragen heeft. Terwille van de mens heeft Christus overwonnen door de felste verzoeking te weerstaan. Terwille van ons heeft Hij een zelfbeheersing getoond, die sterker was dan honger of dood. Wens der Eeuwen p.86, 87.

6. Droeg de Zonde en Schuld van de Wereld
Christus droeg de schuld van de zonden der wereld. Onze be­kwaamheid is alleen te vinden in de menswording en de dood van Gods Zoon. Hij kon lijden omdat God Hem ondersteunde. Hij kon volhouden, omdat Hij zonder smet van ontrouw of zonde was. YI 2 aug. 1898.

Hij (Christus) nam de menselijke natuur op Zich en droeg de kwalen en ontaarding van het mensdom. RH 18 juli, 1874.
Het zou een vrijwel oneindige vernedering zijn geweest voor Gods Zoon om de menselijke natuur op Zich te nemen, zelfs toen Adam nog onschuldig in het paradijs vertoefde. Maar Jezus nam de menselijke natuur op Zich, toen het mensdom verzwakt was door vierduizend jaar zonde.

Evenals ieder kind van Adam aan­vaardde Hij de uitwerking van de grote wet der erfelijkheid. Wat daarvan de gevolgen waren, blijkt uit de geschiedenis van zijn aardse voorouders. Hij kwam met zodanige erfelijkheid om onze zorgen en beproevingen te delen en ons een voorbeeld van een zondeloos leven te geven.

In de hemel had Satan Christus gehaat om Zijn plaats in Gods hoven. Hij haatte Hem des te meer toen hijzelf onttroond was. Hij haatte Hem, die beloofde Zich te geven om een geslacht van zondige mensen te verlossen.

Toch liet God toe dat Zijn Zoon als een hulpeloze baby naar een wereld kwam die Satan opeiste als zijn gebied, om daar onderworpen te zijn aan de zwakheden van het mensdom. Hij stond toe dat Christus de gevaren van het leven evenals ieder mens het hoofd zou bieden, om als ieder mens de strijd te strijden met de kans op falen en verloren te gaan. Wens der Eeuwen p. 31.

Wonderbaarlijke vereniging van mens en God! Hij had Zijn menselijke natuur kunnen helpen om weerstand te bieden aan de aantasting door ziekte, door uit Zijn goddelijke natuur levenkracht en onvergankelijke vitaliteit te geven aan het menselijke. Maar Hij vernederde Zich tot de natuur van een mens..,. God werd mens! RH 9 sept. 1900.
Als mens moest Christus het falen van Adam weer goed ma­ken. Toen Adam echter door de verzoeker werd benaderd, was hij vrij van de gevolgen van de zonde. Hij bezat de volmaakte kracht van lichaam en geest. Hij was omringd door de schoonheid van het paradijs en had dagelijkse omgang met hemelse wezens. Heel anders was het met Jezus toen Hij de woestijn inging om Satan weerstand te bieden.

Het mensdom was vierduizend jaar lang in lichaamskracht, verstandelijke vermogens en zedelijke waarde achteruit gegaan en Christus had de zwakheden van de ontaarde mensheid op Zich genomen. Alleen op deze wijze kon Hij de mens verlossen uit de diepten van zijn verval. Wens der Eeuwen p.86.

Bekleed met het menselijk kleed daalde Gods Zoon af naar het peil van degenen die Hij wilde redden. In Hem was geen schuld of zondigheid. Hij was steeds zuiver en onbevlekt; toch nam Hij onze zondige natuur op Zich. Terwijl Hij Zijn goddelijk­heid bekleedde met menselijkheid zodat Hij Zich kon verenigen met de gevallen mensheid, trachtte Hij voor de mens terug te winnen wat Adam door ongehoorzaamheid voor zichzelf en voor de wereld had verloren. In Zijn eigen karakter spreidde Hij voor de wereld Gods karakter ten toon. RH 15 dec. 1896.

Om onzentwil legde Hij Zijn koninklijke kleed af, verliet Zijn troon in de hemel en daalde af om Zijn goddelijkheid te bekleden met menselijkheid. Hij werd één van ons, uitgezonderd de zonde, opdat Zijn leven en karakter een voorbeeld zouden zijn voor allen om na te volgen, zodat zij de kostbare gave van het eeuwige le­ven zouden hebben. YI 20 okt. 1886.
Hij werd geboren zonder één smet van zonde, maar kwam op de wereld op dezelfde wijze als het menselijke geslacht. Brief 97, 1898.

Hij verkeerde onschuldig en onbevlekt te midden van gedachte­loze, ruwe en onverschillige mensen. Wens p. 65.
Christus, Die niet de geringste smet van zonde of verontreini­ging kende, nam onze natuur in haar ontaarde toestand op Zich. Deze vernedering was groter dan de sterfelijke mens kan bevat­ten. God werd geopenbaard in het vlees. Hij vernederde Zichzelf. Welk een onderwerp om over na te denken; voor een diepgaande overdenking!

Als de Majesteit des hemels was Hij zo oneindig groot en toch bukte Hij Zich zo diep, zonder ook maar in het minste Zijn waardigheid en heerlijkheid te verliezen! Hij daalde neer naar de armoede en de diepste vernedering onder de mensen. ST, 9 juni, 1898.

Ondanks het feit, dat de zonden van een schuldige wereld op Christus werden gelegd, ondanks de vernedering, dat Hij onze zon­dige natuur op Zich genomen had, noemde de stem uit de hemel Hem de Zoon van de Eeuwige. Wens der Eeuwen p. 82.

Hoewel geen enkele smet van zonde op Zijn karakter rustte, verwaardigde Hij Zich toch onze menselijke gevallen natuur te verbinden met Zijn goddelijkheid. Door zo de menselijkheid op Zich te nemen, eerde Hij de mensheid. Nadat Hij onze gevallen natuur had aangenomen, toonde Hij wat deze kon worden door het aanvaarden van de overvloedige voorzieningen die Hij had ge­troffen, en door deel te hebben aan de goddelijke natuur. Spec. Instr. Relating to de RH Office and the work in Battle Creek, 26 mei, 1896, p. 13.

Hij (Paulus) vestigt de aandacht eerst op de positie die Chris­tus bekleedde in de hemel, in de schoot van Zijn Vader; nadien openbaart Hij Hem als Eén, Die Zijn heerlijkheid aflegde en Zich vrijwillig onderwierp aan alle vernederende condities van de men­selijke natuur, door de verantwoordelijkheid van een dienstknecht op Zich te nemen en gehoorzaam te worden tot de dood, en wel de meest smadelijke, de meest weerzinwekkende, de schandelijkste en pijnlijkste dood - de dood aan het kruis. 4T p. 458.

De engelen bogen zich voor Hem neer. Ze boden hun eigen leven aan. Jezus zei hun, dat Hij door Zijn dood velen zou red­den, en dat het leven van een engel de schuld niet kon voldoen. Alleen Zijn leven kon door de Vader als losprijs voor de mens worden aanvaard. Jezus vertelde hun ook dat zij een aandeel zou­den hebben om bij Hem te zijn en Hem van tijd tot tijd te ster­ken; dat Hij de gevallen natuur van de mens op Zich zou nemen, dat Zijn kracht niet gelijk aan de hunne zou zijn; dat ze getuigen zouden zijn van Zijn vernedering en diepe lijden. Early Writings p. 150.

Te midden van onreinheid bleef Christus rein. Satan kon deze reinheid niet besmeuren of verderven. Zijn karakter openbaarde een volkomen haat tegen de zonde. Zijn heiligheid wekte alle hartstochten van een losbandige wereld tegen Hem, want door Zijn volmaakte leven betekende Hij een blijvende smaad voor de wereld en openbaarde de tegenstelling tussen overtreding en de zuivere, smetteloze gerechtigheid van Hem, Die geen zonde ken­de. 5 BC 1142.

8 . Volmaakte Zondeloosheid van Christus' Menselijke Natuur
We moeten geen verkeerde voorstelling hebben wat betreft de volkomen zondeloosheid van de menselijke natuur van Christus. Ons geloof moet een intelligent geloof zijn dat in volmaakt ver­trouwen naar Jezus opziet, in een volkomen en absoluut geloof in het verzoenende offer. Dit is noodzakelijk opdat de ziel niet in duisternis wordt gehuld. Deze heilige Plaatsvervanger is in staat volkomen zalig te maken, want Hij hield het vol verbazing toeziende universum een volkomen en volmaakte nederigheid in Zijn menselijke karakter voor, alsmede volmaakte gehoorzaamheid aan al Gods geboden. ST, 9 juni, J898.

Met Zijn menselijke arm omarmde Christus het mensdom, ter­wijl Hij met Zijn goddelijke arm beslag legde op de troon van de Oneindige, waardoor Hij de sterfelijke mens met de Oneindige God verenigde. Hij overbrugde de kloof die door de zonde was ontstaan, en verbond de aarde met de hemel. In Zijn menselijke natuur handhaafde Hij de zuiverheid van Zijn goddelijke karakter. YI 2 juni, 1898.

Hij was vrij van verderf en vreemd van zonde; toch bad Hij, en vaak onder sterk geroep en tranen. Hij bad voor Zijn discipe­len en voor Zichzelf. Zo vereenzelvigde Hij Zich met onze be­hoeften, onze zwakheden en onze tekortkomingen, die voor het mensdom zo algemeen zijn. Hij was een machtige Smekeling, die niet de hartstochten van onze menselijke, gevallen natuur bezat, maar die bekend was met dezelfde zwakheden, en verzocht in alle opzichten gelijk als wij. Jezus verdroeg het zielelijden waar­voor Hij hulp en steun van Zijn Vader nodig had. 2 T p. 508.

Hij is onze broeder in onze zwakheden, echter niet in het be­zit van dezelfde hartstochten. Als de Zondeloze schrok Zijn natuur terug voor het kwaad. Hij verdroeg strijd en zielelijden in een wereld van zonde. Zijn menselijkheid maakte dat bidden een nood­zaak en een voorrecht was. Hij had des te meer behoefte aan goddelijke steun en troost die Zijn Vader Hem wilde geven, aan Hem, Die terwille van de mens de vreugde van de hemel had ver­laten en Zijn onderdak had gezocht in een koude en ondankbare wereld. 2 T p. 202.

Zijn leer daalde neer als de regen; Zijn woorden verspreidden zich als de dauw. In het karakter van Christus was een majesteit zoals God nog nooit eerder voor de gevallen mens aan de dag had gelegd, en een zachtmoedigheid zoals geen mens ooit had ontwikkeld.

Nooit eerder had onder de mensen Iemand geleefd, Die zo edel, zo rein, zo weldadig, zo bewust van Zijn goddelijke natuur was en Die toch zo eenvoudig was, vol plannen en doel­stellingen om aan de mensen goed te doen. Terwijl Hij een af­schuw had van de zonde, weende Hij vol ontferming over de zon­daar. Hij behaagde Zichzelf niet. De Majesteit des hemels be­kleedde Zich met de nederigheid van een kind. Dit is het karakter van Christus. 5 T p. 422.

Jezus' leven was een leven dat met Gods wil in overeenstem­ming was. Toen Hij een kind was, dacht en sprak Hij als een kind, maar geen spoor van zonde mismaakte Gods beeld in Hem. Toch was Hij niet vrij van verzoeking.... Jezus werd daar ge­plaatst, waar Zijn karakter op de proef gesteld kon worden. Hij moest steeds op Zijn hoede zijn om Zijn reinheid te bewaren. Hij stond bloot aan elke strijd waarmee wij te kampen hebben, om voor ons een voorbeld te zijn als kind, jongeman en volwassene. Wens der Eeuwen p. 49.

Door de menselijke natuur in haar gevallen staat in Zich op te nemen, had Christus niet in het minst deel aan de zonde van de mens. Hij was onderworpen aan de kwalen en zwakheden waar­mee de mens te kampen heeft, opdat vervuld zou worden wat door de profeet Jesaja gesproken is: "Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen." Hij kende de gevoelens van onze zwakheden en werd in alle dingen verzocht zoals wij. En toch kende Hij geen zonde. "Hij was het Lam zon­der vlek en zonder smet." Wij moeten geen verkeerde voorstelling hebben van de volmaakte zondeloosheid van de menselijke natuur van Christus. ST 9 juni, 1898.

Alleen Christus kon de weg openen door het brengen van een offer dat aan de eisen van Gods wet voldeed. Hij was volmaakt en onbesmet door zonde. Hij was zonder vlek of smet. De mate van de verschrikkelijke gevolgen van de zonde zouden nooit bekend zijn geweest, als niet het geneesmiddel dat verschaft was, van oneindige waarde was geweest. De redding van de gevallen mens werd mogelijk door een zodanig oneindige prijs dat de engelen zich verbaasden en het goddelijke geheim niet ten volle konden vatten, dat de Majesteit des hemels, Die aan God gelijk was, zou sterven voor het opstandig mensdom. Sp. of Prof. dl. 2, p. 11, 12.

Zo gaat het ook met de melaatsheid van de zonde die diepge­worteld, dodelijk en onmogelijk door mensen te reinigen is. "Het gehele hoofd is ziek, het gehele hart vol krankheid; van de voet­zool af tot de schedel is er niets gaaf; wonden striemen en verse kwetsuren." Jes. 1:5, 6. Maar Jezus, Die kwam om als mens te leven, ontvangt geen verontreiniging. Zijn tegenwoordigheid brengt genezing aan de zondaar. Wens der Eeuwen p. 212, 213.

Jezus zag een ogenblik het toneel aan, het bevende slachtoffer in haar schande, de hardvochtig uitziende hoogwaardigheidsbekle­ders, verstoken van elk gevoel van menslievendheid. Zijn geest van smetteloze reinheid schrok terug voor dit schouwspel. Hij wist maar al te goed waarom Hem dit geval werd voorgelegd. Hij las de harten en kende het karakter en de geschiedenis van iedereen die bij Hem was.... De aanklagers waren verslagen. Nu hun gewaad van voorgewende heiligheid van hen was afgerukt, stonden zij schuldig en veroordeeld in de tegenwoordigheid van Oneindige Reinheid. Wens der Eeuwen p. 382, 383.

8. Christus Behoudt Voor Altijd de Menselijke Natuur
Door Zich te vernederen en de menselijke natuur aan te ne­men, heeft Christus een karakter geopenbaard dat lijnrecht staat tegenover Satans karakter.... Door onze natuur op Zich te nemen, heeft de Heiland Zich met de mensheid verbonden door een band, die nooit verbroken zal worden. Voor altijd is Hij met ons verbon­den. "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggebo­ren Zoon gegeven heeft." Hij heeft Hem niet alleen gegeven om onze zonden te dragen en te sterven als ons offer. Hij heeft Hem gegeven aan het gevallen mensdom. God heeft Zijn eniggeboren Zoon gegeven om één te worden met de menselijke familie en voor altijd Zijn menselijke natuur te behouden, om ons te verze­keren van Zijn onveranderlijke vredesraad. Dit is de verzekering dat God Zijn woord waar zal maken. "Een kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en de heerschappij rust op Zijn schou­der." God heeft de menselijke natuur aanvaard in de persoon van Zijn Zoon en heeft deze gebracht tot in de hoogste hemel. Wens der Eeuwen p. 15, 16.
Afkortingen:
RH Review and Herald
T Testimonies
YI Youth Instructor
ST Signs of the Times
BC Bible Commentar


Printerversie