Probleemteksten over de onsterfelijkheid in het Nieuwe Testament
Er is veel over de onsterfelijkheid van de ziel geschreven, maar één ding staat voor bijna iedereen vast: De heilige Schrift zegt ons niet dat de ziel onsterfelijk is.
De Schrift maakt er nooit met zoveel woorden gewag van.Prof. Bavinck is van mening dat het een leerstelling is die spontaan uit de menselijke natuur opkomt. Toch geloven de theologen Dr. A.Kuyper en Prof. Bavinck in de onsterfelijkheid van de ziel. Deze spontaan uit de menselijke natuur ontstane overtuiging, hoewel niet met zoveel woorden aangegeven, wordt toch in de Schrift gevonden, is de mening van velen. Men zou kunnen zeggen dat er een aantal christenen zijn die beweren dat de onsterfelijkheid van de ziel in de Bijbel niet ‘gezegd’ wordt, maar wel wordt ‘geleerd’. Zij lezen in een aantal teksten ‘tussen de regels door’ dat de ziel onsterfelijk is.
Het kernpunt dat wij hier willen verdedigen is: ‘GOD ALLEEN IS ONSTERFELIJK’ (1 Timoteüs 6: 16)
De opstanding der rechtvaardigen zal resulteren in een aantal mensen die onsterfelijkheid zullen aandoen. Het is dus nooit, ook niet op de nieuwe aarde, een hoedanigheid die ons toebehoort. Wij bezitten het leven als een gave van God, gekocht door het bloed der verzoening. Een gave die tot in eeuwigheid gevoed zal worden door de vrucht van de boom des levens.
“Zalig zij, die hun gewaden wassen, opdat zij recht mogen hebben op het geboomte des levens en door de poorten ingaan in de stad.” Openbaring 22:14
De Statenvertaling schrijft hier: “Zalig zijn zij die zijn geboden doen, op-dat hun macht zij (recht hebben op) aan de boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.”
E.G.White schrijft: Zoals de zonnestraal aan de bloemen hun tere tinten schenkt, zo schenkt God aan de ziel de schoonheid van zijn eigen karakter.
Gerechtigheid, heiligheid en onsterfelijkheid worden deel van een schepsel zoals de bloem een kleur ontvangt. De kleur zit niet in de bloem maar in het licht dat erop valt. De bloem weerkaatst de kleur die in het licht zit. Gerechtigheid wordt nooit een wezenlijk bestanddeel van de menselijke natuur. Zij komt tot ons door de heilige Geest. Zo wordt ook onsterfelijkheid nooit eigen aan de mens. De mens krijgt eeuwig leven door zich afhankelijk te stellen van God. Deze kostbare gave wordt alleen ons deel door Christus, zijn offer en middelaardienst.
PROBLEEMTEKSTEN:
Probleemtekst: 2 Korintiërs 5:1-10 (uitleg tussen haakjes) “Want wij weten, dat, indien de aardse tent (het sterfelijk lichaam, de vervallen uiterlijke mens), waarin wij wonen, wordt afgebroken (als wij sterven), wij een gebouw van God hebben (een onvergankelijk lichaam), in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis. Want hierom zuchten wij (ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods): wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden (het sterfelijke wordt ‘afgelegd’ en onsterfelijkheid en onvergankelijkheid moet ‘aangedaan’ worden. Het ene wordt afgelegd, het andere wordt aangedaan evenals een kleed), als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden (de innerlijke mens moet bekleed worden met de gerechtigheid van Christus. Bekleedt u met Christus. Doet de nieuwe mens aan die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid. Dit onderzoek naar het ‘naakt’ zijn of ‘bekleed’ zijn vindt plaats ‘voor de rechterstoel van Christus’. Daar moeten wij ‘openbaar worden’).
Want wij, die nog in een tent (in het sterfelijk lichaam) wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed (de tweede dood sterven), doch overkleed willen worden (met een onsterfelijk onvergankelijk lichaam, ‘het gebouw’ van vers 1), opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden (het ontkleden is de dood sterven). God is het, die ons juist dáártoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft (En indien de Geest van Hem die Jezus uit de doden heeft opgewekt in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest die in u woont. Verzegeld met de heilige Geest der belofte die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk). Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam (de tent) ons verblijf hebben, ver van de Here (op aarde) in den vreemde zijn (vreemdelingen op aarde) - want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen - maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam (de tent) te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen (in het gebouw in de hemelen, nadat wij in het onderzoekend oordeel bekleed zijn bevonden en niet naakt).
Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis (in het gebouw), hetzij in de vreemde (in de tent), Hem welgevallig te zijn (en dus bekleed te zijn met Jezus en zijn gerechtigheid). Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden (of onze innerlijke mens naakt of bekleed is), opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam (in de tent) verricht heeft, nadat hij gedaan heeft, hetzij goed (en dus bekleed gevonden), hetzij kwaad (en dus naakt bevonden).”
Dit Schriftgedeelte leert dat ons verblijf in de tent, het sterfelijke lichaam, beoordeeld gaat worden in het oordeel. Er zal op één ding gelet worden, nl. of men naakt of bekleed is. Is men naakt dan wordt men ontkleed en wacht de tweede dood.
Is men bekleed met Jezus’ gerechtigheid dan wordt men overkleed met het gebouw of de onvergankelijkheid uit de hemelen. De volgorde is dus: * Wij leven nu in een tent. * Na het sterven komen wij in het oordeel. * Na het oordeel worden wij òf bekleed met een nieuw lichaam òf ontkleed in de eeuwige dood.
Paulus verlangde naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Hij wilde verlost worden van dit lichaam dezes doods. Want ook al is de geest van de gelovige levend, het lichaam is dood. In het ‘onderzoekend oordeel’ moet men ‘bevonden worden’ en dan pas komt de eeuwigheid. Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt, betekent in deze samenhang ‘onderzoek’. Dat het ogenschijnlijk een periode is zonder tijd komt omdat het een periode is zonder bewustzijn. Het is ‘ontslapen’ en weer ‘wakker worden’ bij de wederkomst. Dat is dus het volgende ogenblik.
Probleemtekst: 1 Petrus 3:18-20 en 4:6
“Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen: Hij, die gedood is naar het vlees (Hij droeg ons sterfelijk zondig vlees en stierf voor ons), maar levend gemaakt naar de geest (zijn menselijke geest was zondeloos, zonder schuld of smet en naar de Geest der heiligheid door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht), in welke Hij ook heengegaan is (in de geest) en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis (mensen die onder Gods oordeel staan zijn in de gevangenis, d.w.z., voordat men tot bekering komt is men onder het oordeel van God. Nadat de bekering plaatsgevonden heeft, heeft men door de vergiffenis van zonde vrijheid ontvangen. Vrijlating uit de gevangenis geschiedt echter altijd door de rechter. Jezus is rechter. En als rechter vergeeft Hij zonde), die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach, terwijl de ark in gereedheid werd gebracht, waarin weinigen, dat is acht zielen, door het water heen gered werden.” -1 Petrus 3:18-20
Jezus predikte dus door Noach terwijl de ark in gereedheid gebracht werd. Hij gaf Noach zijn Geest en predikte aan hen wier geest in de gevangenis was; in de gevangenis door overtredingen en zonden. In 1 Petrus 4:6 staat: “Want daartoe is ook aan de doden (degenen die dood zijn in overtredingen en zonden) het evangelie gebracht, opdat zij wèl, naar de mens, wat het vlees aangaat, zouden geoordeeld worden, (zij zouden gewoon sterven naar het oordeel van God op de zonde van Adam), doch, naar God, wat de geest betreft, zouden leven.” (Degene die het evangelie aanneemt zal leven, een nieuw geestelijk leven door een nieuwe geestelijke geboorte)
Probleemtekst: 2 Korintiërs 12:1-4
Hier denkt men te lezen dat Paulus het lichaam verliet. Men denkt hiermee een bewijs te hebben gevonden voor het dualisme, d.w.z., voor de leer dat de geest onafhankelijk kan leven van het lichaam. “Er moet geroemd worden; het dient wel tot niets, maar ik zal komen op gezichten en openbaringen des Heren (het gaat dus over gezichten en openbaringen).
Ik weet van een mens in Christus, veertien jaar is het geleden (toen hij dat gezicht kreeg) - of het in het lichaam was, weet ik niet, of dat het buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het - (het was dus zo echt wat hij in het gezicht zag dat het net werkelijkheid was, zoals wij in een droom allerlei dingen beleven, alsof wij ergens daadwerkelijk aanwezig zijn) dat die persoon weggevoerd werd tot in de derde hemel. En ik weet van die persoon - of het in het lichaam of buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het - dat hij weggevoerd werd naar het paradijs en onuitsprekelijke woorden gehoord heeft, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken.”
Paulus verliet zijn lichaam dus niet. Hij zegt dat het net zo echt was alsof hij het werkelijk beleefd had, alsof hij het lichaam verlaten had. Deze ervaring van de apostel Paulus met betrekking tot visioenen en gezichten werpt licht op visioenen en gezichten die boze geesten aan mensen geven. De zogenaamde ‘klinische dood ervaringen’. Mensen geven vóór dat zij het lichaam verlaten hebben en hun stoffelijk lichaam aanschouwd hebben, allerlei dingen meegemaakt hebben, andere onstoffelijke vrienden en familieleden gezien hebben en een wezen van licht dat hen informeerde over allerlei zaken. Alles was zo echt alsof het buiten het lichaam was gebeurd. Op grond van ervaringen was ook niet vast te stellen of dat wel of niet zo was. Paulus zegt: ‘of het in het lichaam was, weet ik niet, of dat het buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het’. Als God het weet, moeten wij ons de vraag stellen: Heeft God over dit punt ook informatie gegeven? Het antwoord luidt: Ja. “…maar de doden weten niets…Zowel hun liefde als hun haat en hun naijver zijn reeds lang vergaan; en zij hebben nimmer deel aan iets, dat onder de zon geschiedt.” -Prediker 9:5-6
Het is belangrijk om te weten dat er dingen zijn die wij op grond van onze eigen ervaringen, onze eigen zintuigen, niet juist kunnen beoordelen. Maar gelukkig weet God het altijd wel. Wij moeten onderzoeken of God hier iets over gezegd heeft.
Probleemtekst: Lucas 23:42-43
“En hij zeide: Jezus, gedenk mijner, wanneer Gij in uw Koninkrijk komt. En Hij zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.”
Als men schrijft: Voorwaar, Ik zeg u heden, (let op komma) gij zult met Mij in het paradijs zijn, dan geeft dit een andere betekenis dan:
Voorwaar, Ik zeg u, (komma nu op andere plaats) heden zult gij met Mij in het paradijs zijn. Het verplaatsen van de komma brengt de tekst in overeenstemming met de rest van de Schrift. Punten, komma’s e.d., de leestekens, zijn later toegevoegd aan de tekst en worden niet in het oorspronkelijke Griekse Nieuwe Testament gevonden.
Het paradijs
Wij hebben nu twee passages gehad waarin het paradijs de woonplaats der verlosten genoemd wordt. Volgens Paulus is dit in de derde hemel. ‘Derde’ kan ‘volgorde’ zijn maar ook ‘rangorde’. In Openbaring lezen wij:
“En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer.” - Openbaring 21:1
Wij hebben dus de eerste hemel en de derde hemel. Dit is dus een ‘volgorde’ en geen eerste, tweede of derde ‘kwaliteit’.
In 2 Petrus 3:6 (Statenvertaling) worden alle drie genoemd. Hij noemt de wereld, de hemel en de aarde. ‘…door welke de wereld die toen was…’
In de daarop volgende verzen wordt dan duidelijk gemaakt waarom wij, naar zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde verwachten, in welke gerechtigheid woont. Het paradijs van de eerste wereld, de hof van Eden, is opgenomen naar de hemel en komt weer terug naar de aarde als hier een nieuwe hemel en een nieuwe aarde gemaakt worden.
De ‘voor de zondvloed wereld’, ‘de hemelen en de aarde die toen was’, was dus de eerste. ‘De nu zijnde’ is de tweede en de ‘komende’ wereld de derde. Paulus werd in zijn visioen verplaatst naar die hemel die naar de aarde komt na de duizend jaren, dat is de derde hemel die zich bevindt in de hemel. In Openbaring 21 worden de eerste hemel en de eerste aarde genoemd, dit waren dus de beide eerste. De eerste en de tweede en de derde hemel is dus een volgorde en geen rangorde.
Probleemtekst: Hebreeën 12:23 “…en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben,…” Dat zijn diegenen in wier geest de voleinding bereikt is, maar zeker geen geesten die verlost zijn en in de hemel binnengegaan zijn, want het voorgaande hoofdstuk vertelt ons nadrukkelijk dat dit niet het geval is. “Ook deze allen,…hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen.” -Hebreeën 11:39-40 “In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben;…” -Hebreeën 11:13 Maar voorzover het de gemeente aangaat die in de hemel ingeschreven is, houdt het verlossingsplan zich, hier en nu, alleen met de menselijke geest bezig. Het lichaam of het vlees wordt niet wedergeboren. “Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest.” -Johannes 3:6
Probleemtekst: Openbaring 6:9-11 “En toen Hij het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar (dat is het brandofferaltaar) de zielen van hen, die geslacht waren om het woord van God en om het getuigenis, dat zij hadden. En zij riepen met luider stem (zoals het bloed van Abel riep tot God van de aardbodem) en zeiden: Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen? En aan elk hunner werd een wit gewaad gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook het getal vol zou zijn van hun mededienstknechten en hun broeders, die gedood zouden worden evenals zij.” Het bloed van de martelaren roept om wraak. Gods kinderen zijn als schapen die ter slachtbank geleid worden. Hun bloed heeft de eeuwen door de aarde gedrenkt. Af en toe zijn er tijden geweest dat voorgaande generaties van martelaren gerechtvaardigd werden om daarna gevolgd te worden door nieuwe generaties van martelaren. Elke keer als één van Gods kinderen gedood wordt, hoort het oor van God de roep van het bloed. Zij werden als het ware met Christus gekruisigd en hun bloed werd aan de voet van het brandofferaltaar uitgestort. Tot de dag komt die God aangekondigd heeft, dat Hij wreken zal “…al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde, van het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zacharias, de zoon van Berekja, die gij vermoord hebt tussen het tempelhuis en het altaar.” -Matteüs 23:35
Maar dat moet wachten tot de wederkomst. Intussen zullen de ‘ontslapenen’ de ‘levenden’ niet voorgaan. Beide zullen tegelijkertijd opgenomen worden om op ‘deze wijze’ altijd bij de Here te zijn. Dit tekstgedeelte zegt dus niets over het bewustzijn na het sterven.
Probleemtekst: Johannes 11:25-26 “Jezus zeide tot haar: Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, (bij de opstanding) ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft (opgestaan is bij de tweede komst of dan nog leeft) en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; (d.w.z. zal de tweede dood niet sterven) gelooft gij dat?” De tekst zegt niets over het eeuwig blijven leven van de ziel. De tekst verzekert alleen opnieuw dat zij die het goede gedaan hebben, d.w.z. hun geloof tot een kanaal gemaakt hebben voor de liefde, niet deelhebben aan de opstanding ten oordeel, d.w.z. opstaan en dan de eeuwige dood sterven. Neen, zij ontvangen de opstanding ten leven. Alle besproken teksten en ook de niet besproken teksten worden door mensen gebruikt om de Schrift dingen te laten zeggen die de Schrift niet zegt.
DE BIJBEL IS DUIDELIJK. CONCLUSIE: De mens heeft twee naturen: vlees en geest. Het verlossingsplan in dit leven houdt zich bezig met de geest van de mens. Het is de innerlijke mens die opnieuw geboren wordt, nieuw leven ontvangt en door God opgewekt wordt. Er bestaat geen dualisme. De twee naturen van de mens maken samen de persoon. De persoon sterft en de persoon staat weer op. Voordat hij opstaat komt zijn zaak in het oordeel. Daar wordt beoordeeld wat de innerlijke mens was. Was die levend vanwege de gerechtigheid? Woonde de heilige Geest daar als een onderpand van de eeuwige erfenis? De verlossing van het lichaam volgt na het onderzoek als dit positief is uitgevallen. Zijn wij vandaag bekleed met de gerechtigheid van Christus dan behoren wij vandaag Christus toe en zullen als wij daarin volharden, van Hem zijn in zijn toekomst. Het geloof schenkt hoop op de toekomst en liefde voor God en de naaste. (Bron: Jezus de Vriend van jong en oud 2006/9) LITERATUUR: Dr. A.Kuyper Dictaten Dogmatiek deel 5, blz. 45, Prof. Bavinck Dogmatiek deel 4, blz. 569 |