Het koningschap van Jezus en de bruiloft van het Lam "En ik hoorde als een stem van een grote schare en als een stem van vele wateren en als een stem van zware donderslagen, zeggende: Halleluja! Want de Here, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap aanvaard. Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven…" Openbaring 19: 6, 7.
Het is duidelijk uit dit en uit andere schriftgedeelten dat er zeer grote vreugde in de hemel is wanneer Jezus het Koningschap aanvaardt. De reden voor die blijdschap lezen we in het volgende gedeelte: "…want de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen". Openb. 19: 7, 8. Wanneer Jezus het Koningschap aanvaardt, vindt dus ook de bruiloft plaats en dat is de oorzaak van grote vreugde.
Ellen White schrijft: "Christus had Zijn koninkrijk ontvangen, nadat Hij verzoening gedaan had voor Zijn volk, en hun zonden had uitgewist. Het getal van de onderdanen van het koninkrijk was vol. De bruiloft van het Lam had plaats gehad. En het rijk en de heerschappij, en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel werd gegeven aan Jezus en degenen, die de zaligheid beërven, en Jezus zou heersen als Koning der koningen, en Heer der heren". (E.G. 335). Het getal van de onderdanen van het koninkrijk was vol. Dat wil zeggen dat het volk van God verzegeld is. Er wordt niemand meer aan toegevoegd en er valt ook niemand meer af. Een priester heeft geen zegel. Wij weten dat een zegel drie kenmerken heeft. 1. De naam 2. De titel 3. Het rijksgebied
Op grond daarvan is de sabbat het zegel van God. In het sabbatsgebod vinden wij de titel van God: Hij is de Schepper. Wij vinden zijn rijksgebied: de hemel en de aarde. Ook zijn naam vinden wij daar: Hij is de Here.
Een priester heeft geen rijksgebied. Een priester doet dienst in het heiligdom. Om verzegeld te kunnen worden met het zegel van de levende God moet Jezus dus eerst koning worden. Een van de voorwaarden voor de verzegeling is dat Jezus Koning is. Als wij kijken naar de eerste twee koningen van Israël dan blijkt dat zij beiden gezalfd werden tot koning door Samuël, maar zij waren nog niet publiekelijk erkend. Beiden hebben vanaf het moment van zalving gehandeld als koning. David versloeg Goliath als eerste daad na zijn zalving tot koning. David werd tot koning gezalfd door Samuël en: "Van die dag af greep de Geest des Heren David aan". 1.Sam.16:13.
Met Saul was het precies zo. In 1.Samuël 10:1 wordt Saul tot koning gezalfd en in vers 10 wordt gezegd: "…de Geest Gods greep hem aan". Kort daarna wordt dit openbaar gemaakt, maar Saul blijft gewoon boer. Dit blijft zo totdat Jabes in Gilead de hulp van de koning nodig heeft en Saul voor het eerst als koning optreedt. David en Saul waren dus koning voordat zij in het publiek als zodanig erkend werden. Zo zal het ook gaan met Jezus. Nog gedurende zijn priesterschap wordt Hij tot Koning gezalfd. Zijn eerste officiële daad als Koning zal de verzegeling van zijn volk zijn. Toen Jezus tot Priester gezalfd werd in het hemelse heiligdom viel de vroege regen op de discipelen. David beschrijft het in Psalm 133: "Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, als broeders ook tezamen wonen (in eensgezindheid samen wonen. KJV) Het is als de kostelijke olie op het hoofd, nedervloeiende op de baard, de baard van Aäron, die nedergolft op de zoom van zijn klederen. Het is als de dauw van de Hermon, die nederdaalt op de bergen van Sion.
Want daar gebiedt de Here de zegen, leven tot in eeuwigheid". En de apostel Petrus getuigde ervan met Pinksteren: "Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte des Heiligen Geestes van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, wat gij en ziet en hoort". Hand.2:33. Ellen White schrijft hierover het volgende: "Na de hemelvaart van Christus echter werd zijn troonsbestijging in zijn middelaarswerk gekenmerkt door de uitstorting van de Heilige Geest". (LLA. 67-68).
"Toen Christus de hemelse poorten binnenging werd Hij temidden van de Hem aanbiddende engelen op de troon verheven. Zodra deze plechtigheid had plaatsgevonden daalde de Heilige Geest in overvloedige stromen op de discipelen neer en Christus was nu in werkelijkheid verheerlijkt met de heerlijkheid die Hij vanaf alle eeuwigheid bij de Vader had. De uitstorting op Pinksteren was de hemelse boodschap dat de inhuldiging van de Verlosser was voleindigd". (JR. 27).
Dit is duidelijke taal. De inhuldiging van Jezus in zijn functie als Middelaar, nadat Hij Zijn grote offer gebracht had, ging gepaard met de uitstorting van de Heilige Geest. Een nieuwe Priester en een nieuw heiligdom. De gemeente moest het weten. Zo zal het ook zijn als Jezus zijn Koningschap aanvaardt. Dan zal als blijk daarvan de Heilige Geest uitgestort worden in de kracht van de late regen. Als Jezus terug komt zal Hij in aanwezigheid van Zijn kinderen publiekelijk gekroond worden. Precies zoals het ook gebeurd is bij Saul en David. Deze late regen deelt de Geest van Jezus mee, zo volkomen dat zijn kinderen waarlijk zijn karakter zullen bezitten. Door de late regen van de Heilige Geest zal het karakter vervolmaakt worden. In Psalm 45 lezen wij hierover het volgende: "Uw troon, o God, staat voor altoos en eeuwig, uw koninklijke scepter is een rechtmatige scepter. Gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid; daarom heeft, o God, uw God u gezalfd met vreugdeolie boven uw metgezellen; mirre, aloë, kassia zijn al uw klederen; uit ivoren paleizen verheugt u snarenspel, koningsdochters zijn onder uw geliefden; de gemalin staat aan uw rechterhand in goud van Ofir…
Laar de koning uw schoonheid begeren, want hij is uw heer; buig u dus voor hem neder… Louter pracht is de koningsdochter daarbinnen, van goudbrokaat is haar kleed". De Staten Vertaling schrijft; "Des konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig, haar kleding is van gouden borduursel". Ps.45:7-10,12, 14.
Dit hebben we ook in Openbaring gelezen; "Want de Here, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap aanvaard. Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt, en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen". Openb.19:7, 8.
Wij hebben gezien dat de bruid inwendig geheel verheerlijkt is. Zij heeft de Geest van Christus in volle mate ontvangen. De Geest van de Koning is in zijn rijk. Zo was het ook met koning David. David was een moedige man, een held. David versloeg de reus Goliath. Maar drie van zijn knechten deden hetzelfde. "Daarna ontstond er te Gezer een strijd met de Filistijnen; en de Chusatiet Sibbekai versloeg toen Sippai, een van de afstammelingen der Refaïeten, zodat zij zich moesten onderwerpen. Opnieuw was er strijd met de Filistijnen, en Elchanan, de zoon van Jaïr, versloeg Lachmi, de broeder van de Gatiet Goliath, die een spies had met een schacht als een weversboom.
Wederom was er strijd, bij Gat, en daar was een man van zeer grote lengte, die zes vingers en zes tenen had, vierentwintig (in het geheel); ook deze stamde af van Rafa. Hij hoonde Israël en Jonatan, de zoon van Sima, Davids broeder, versloeg hem. Dezen stamden af van Rafa te Gat; zij vielen door de hand van David en zijn dienaren". 1.Kon.20:4-8. De moed die David had was geweldig. David had een aantal helden in zijn leger die deze zelfde geest van moed bezaten.
Zo zal het ook zijn wanneer Christus Koning is en zijn volk zijn Geest bezit. "Te dien dage zal de Here de inwoners van Jeruzalem beschutten, en wie onder hen struikelen zou, zal te dien dage zijn als David, en het huis Davids zal zijn als goden, als de Engel des Heren voor hun aangezicht". Zach.12: 8.
De bruiloft van het Lam vindt plaats in de hemel terwijl Gods volk nog op aarde is. De bruiloft is een ervaring voor Gods volk. Het is de verbintenis – de éénwording – van menselijkheid en goddelijkheid. Dit vond al plaats in Christus. Hij verbond Zijn goddelijke natuur met onze menselijke natuur en leefde een volmaakt zondeloos leven in ons vlees. Zijn overwinning over het vlees was volledig, maar deze gezegende waarheid moet toegepast worden. "De gemeente is de bruid, de vrouw van het Lam. Zij moet zich zuiver, geheiligd en heilig bewaren. Nooit mag ze toegeven aan dwaasheid, want zij is de bruid van een koning. Toch beseft zij de verhevenheid van haar positie niet. Als ze dat zou doen zou ze inwendig geheel verheerlijkt zijn". (Bijbelcom. E.White 686).
Met innig verlangen kijkt onze Heiland uit naar de bruiloft, zoals een bruidegom verlangt naar zijn bruid. Het zal de uiteindelijke vervulling zijn van het gebed dat Hij tot de Vader bad vlak voor zijn gevangenneming.
"En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn, opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt". Joh.17:20-23.
Waak op, waak op, bekleed u met sterkte, Sion; bekleed u met uw pronkgewaden, Jeruzalem, heilige stad, want geen onbesnedene of onreine zal meer in u komen." "Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw God is Koning. Hoor, uw wachters verheffen de stem, zij jubelen tezamen, want met eigen ogen zien zij, hoe de Here naar Sion wederkeert. Breekt uit in gejuich, jubelt eenparig, puinhopen van Jeruzalem, want de Here heeft Zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost. De Here heeft zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken en alle einden der aarde zullen zien het heil van onze God".
"Ik verblijd mij zeer in de Here, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld, gelijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt, en gelijk een bruid, die zich met haar versierselen tooit. Want zoals de aarde haar gewas voortbrengt en een hof zijn zaaisel doet uitspruiten, zo zal de Here Here gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor het oog van alle volken. Om Sions wil zal ik niet zwijgen en om Jeruzalems wil zal ik niet rusten totdat zijn heil opgaat als een lichtglans en zijn verlossing als een brandende fakkel. Volken zullen uw heil zien, alle koningen uw heerlijkheid en men zal u noemen met een nieuwe naam, die de mond der Heren zal bepalen; gij zult een sierlijke kroon in de hand des Heren zijn, een koninklijke tulband in de hand van uw God. Men zal u niet meer noemen: Verlatene, en men zal uw land niet meer noemen: Woestenij, maar gij zult genoemd worden: Mijn Welgevallen, en uw land: Gehuwde. Want de Here heeft een welgevallen aan u, en uw land wordt ten huwelijk genomen. Want zoals een jongeling een maagd huwt, zullen uw zonen u huwen, en zoals de bruidegom zich over de bruid verblijdt zal uw God Zich over u verblijden". Jes.52:1,2,7-10; 61:10,11; 62: 1-5. (uit het blaadje "De Hoeksteen" nummer 39) |