Het uitdelgen van de zonden en de late regen Het uitdelgen van de zonden is het doel van het dienstwerk van Christus onder het nieuwe verbond. In de brief aan de Hebreeën lezen we over de Grote Verzoendag in het oude Israël. En we lezen daar dat die dienst niet in staat was om het besef van en de herinnering aan de zonde weg te nemen. "Want daar de wet slechts een schaduw heeft der toekomstige goederen, niet de gestalte dier dingen zelf, is zij nimmer in staat ieder jaar met dezelfde offeranden, die onafgebroken gebracht worden, degenen, die toetreden, te volmaken.
Immers zou anders het offeren daarvan niet opgehouden zijn, doordat degenen, die de dienst verrichten, na eenmaal gereinigd te zijn, generlei besef van zonden meer hadden? Doch door die offeranden werden ieder jaar de zonden in gedachtenis gebracht; want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren of bokken zonden zou wegnemen". Hebr.10:1-4. En om deze reden kwam Christus, om de aardse schaduwdienst weg te nemen en de hemelse werkelijkheid op te richten. (Hebr. 10: 5-14). En dan lezen we: "Dit is het verbond, waarmede Ik Mij aan hen verbinden zal na die dagen, zegt de Here: Ik zal mijn wetten in hun harten leggen, en die ook in hun verstand schrijven, en hun zonden en ongerechtigheden zal Ik niet meer gedenken". Hebr. 10: 16, 17.
Gods volk zal de volledige vervulling van deze belofte ervaren, wanneer hun zonden zijn uitgedelgd. Het doel van de dienst in het hemelse heiligdom is om Gods wet in de harten en het verstand van Gods volk te schrijven. Zijn wet is Zijn karakter van liefde. God zal iets vergeten, wanneer Zijn goddelijke beeld hersteld is in de levens van Zijn kinderen. Wat zal Hij dan vergeten? Wij lezen in Karaktervorming op blz. 256: "Voor ons traag begrip is het kruis een openbaring van de pijn die de zonde, vanaf haar ontstaan, het hart van God heeft toegebracht". Het werk van het herstellen van Zijn beeld in Zijn volk heeft Hem oneindig veel leed veroorzaakt. Maar toch verdraagt Hij dat, want de liefde vergaat nooit. Zij verdraagt alles; zij is lankmoedig.
Wanneer God uiteindelijk Zijn wet volledig geschreven ziet in de harten en het verstand van Zijn volk; wanneer Zijn naam, Zijn zegel in hun voorhoofden gezien wordt, dan is Zijn vreugde zo oneindig groot dat Hij de pijn en de schande vergeet die hun zonden Hem hebben toegebracht. Het is zoals de pijn en het verdriet dat een vrouw heeft wanneer haar baby geboren moet worden, maar direct na de geboorte zorgen de vreugde en de blijdschap ervoor dat haar pijn en verdriet vergeten worden. Op dezelfde manier zal de vreugde van God zo groot zijn wanneer Hij Zijn beeld volkomen weerspiegeld ziet in Zijn heiligen, dat ook Hij de pijn zal vergeten die wij Hem hebben gebracht.
Kunnen wij ons voorstellen dat wij een zodanige vreugde in Gods hart teweeg brengen dat Hij daardoor voor altijd de pijn en de schande vergeet die onze zonde hebben veroorzaakt? Wanneer wij Hem toegestaan hebben om Zijn wet volledig in onze harten te schrijven, zal Zijn vreugde zo groot zijn dat Hij zegt: "hun zonden en ongerechtigheden zal Ik niet meer gedenken".
Als God nu de zonden van de verzegelde gelovigen niet meer zal gedenken, zullen de gelovigen zelf zich hun zonden dan kunnen herinneren? Hoe kan God vergeten en degene die Hij zo liefheeft niet? Het is zoals tussen een man en een vrouw die een verschrikkelijke vervreemding van elkaar hebben gehad. Wanneer dan een van beiden in ware liefde gewillig is om alles te vergeten, maar de ander vergeet niet en wil ook niet vergeten. Kan het dan vergeten worden? Lijdt dan de een niet met de ander? Zo lang een van beiden niet vergeet, maar er aan blijft denken, is ook de ander gedwongen om er aan te denken. Zo kan ook God niet vergeten tenzij Zijn volk ook vergeet.
De belofte "Ik zal niet meer gedenken" is de verzekering dat de heiligen één zullen zijn met de Here, en dat elk spoor van de verschrikkelijke vervreemding voorbij zal zijn.
Het uitdelgen van zonden is het volmaken van het geweten, het besef, in de ervaring van de gelovigen. Paulus schrijft: "Dit was dan aldus ingericht, en de priesters kwamen bij het vervullen van hun diensten voortdurend in de voorste tent, maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden door het volk in onwetendheid bedreven. Daarmede gaf de heilige Geest te kennen, dat de weg naar het heiligdom nog niet openlag, zolang de eerste tent nog bestond. Dit was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd, in zoverre gaven en offers gebracht werden, die niet bij machte waren hem, die (God daarmede) dient, voor zijn besef te volmaken… Want als (reeds) het bloed van bokken en stieren en de besprenging met de as der vaars hen, die verontreinigd zijn, heiligt, zodat zij naar het vlees gereinigd worden, hoeveel te meer zal het bloed van Christus , die door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken, om de levende God te dienen… Want daar de wet slechts een schaduw heeft der toekomstige goederen, niet de gestalte dier dingen zelf, is zij nimmer in staat ieder jaar met dezelfde offeranden, die onafgebroken gebracht worden, degenen, die toetreden, te volmaken. Immers, zou anders het offeren daarvan niet opgehouden zijn, doordat degenen, die de dienst verrichten, na eenmaal gereinigd te zijn, generlei besef van zonden meer hadden? Doch door die offeranden werden ieder jaar de zonden in gedachtenis gebracht". Hebr.9:6-9,13,14; 10:1-3. In deze schriftgedeelten wordt de tegenstelling tussen de aardse en de hemelse heiligdomsdienst getoond. Wij lezen dat de aardse dienst het besef (het geweten) niet kon volmaken, het kon degenen die toetraden niet volmaken, het kon de aanbidders niet zo reinigen dat zij generlei besef van zonden meer hadden. Maar de boodschap is dat de hemelse dienst van Christus dat wél kon doen. "En ook de heilige Geest geeft ons daarvan getuigenis, want nadat Hij gezegd had: Dit is het verbond, waarmede Ik Mij aan hen verbinden zal na die dagen, zegt de Here: Ik zal Mijn wetten in hun harten leggen, en die ook in hun verstand schrijven, en hun zonden en ongerechtigheden zal Ik niet meer gedenken". Hebr. 10: 15-17.
Wij moeten bedenken dat er twee afdelingen zijn in het dienstwerk in het heiligdom. Dit werd afgebeeld door de dagelijkse dienst in het eerste gedeelte en de jaarlijkse dienst in het tweede gedeelte. De gehele dienst in het heiligdom was noodzakelijk om het werk van genade te voltooien en om degenen die toetreden te volmaken, zodat ze generlei besef van zonden meer hadden. Het uitdelgen van zonden vindt in het heilige der heiligen plaats. Hier op deze plaats in de Hebreeënbrief wordt het onderwerp van volmaking verklaard, dat wil zeggen de zedelijke en geestelijke volmaaktheid van de aanbidders. Het laat zien waar zo een volmaking eigenlijk betrekking op heeft. Het heeft betrekking op het geweten, het generlei besef van zonden meer hebben. Deze volmaking vindt niet plaats op het moment dat iemand zich tot Christus bekeert. Wanneer iemand tot bekering komt staat hij op de plaats waar de berouwvolle zondaar stond in de dagelijkse dienst van de aardse tabernakel. De zonden werden overgebracht op het heiligdom, maar de uiteindelijke verzoening (het uitdelgen van zonden) had dan nog niet plaats gevonden. Het was gedurende de jaarlijkse dienst dat de gelovige de uiteindelijke reiniging ontving die heen wees op het uitdelgen van zonden. "Want op deze dag zal over u verzoening gedaan worden, om u te reinigen van al uw zonden zult gij gereinigd worden voor het aangezicht des Heren". Lev.16:30. Wij kunnen niet beweren dat wanneer onze zonden vergeven zijn dat dan ook ons geweten (ons besef) volmaakt is. "Hij kan bekeerd zijn; hij kan de zondigheid van zijn onrechtvaardigheid tegenover zijn naasten zien en voor zover het mogelijk is, alles herstellen; maar de littekens van een beschadigd geweten zullen altijd blijven". (S.D.A. Bijbelcom. Deel 3, blz. 1158.)
Het uiteindelijke herstel vindt pas plaats op de Grote Verzoendag wanneer de zonden worden uitgedelgd. "En wij hebben de liefde onderkend en geloofd, die God jegens ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem. Hierin is de liefde bij ons volmaakt geworden, dat wij vrijmoedigheid hebben op de dag des oordeels, want gelijk Hij is, zijn ook wij in deze wereld. Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit, want de vrees houdt verband met straf en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde". 1.Joh.4:16-18.
Volmaakte liefde drijft de vrees uit. Jezus was nooit bevreesd. Hij sliep gedurende de hevigste storm terwijl zijn discipelen bevreesd en bang waren. Er kon geen vrees in het hart van Christus zijn omdat daar geen zonde was. Hij had geen enkele ervaring in ongehoorzaamheid. Hij had geen besef van zonde.
"Wie vreest, is niet volmaakt in de liefde". Volmaakt in liefde gemaakt worden is het beeld van God, het zegel van de levende God, ontvangen. Het is waar dat bij de bekering de gelovige, door de kracht van de heilige Geest in een nieuw schepsel veranderd wordt. Liefde neemt bezit van het hart. De vrees wordt uitgedreven. Maar toch is het werk van genade niet voltooid. De late regen, dat is de doop van goddelijke liefde in al zijn volheid, is nodig om de gelovige tot volmaaktheid te brengen. Het is de doop van goddelijke liefde in de late regen die het besef volmaakt, de gelovige verzegelt, en de zonde uitdelgt.
Degenen die deze uiteindelijke bedekking hebben, zullen in staat zijn om voor het aangezicht van een heilig God te leven zonder middelaar tijdens de laatste zeven plagen. Diegenen die zonder het zegel van God leven in die tijd zullen dag en nacht gepijnigd worden door hun eigen geweten ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam. Openb.14: 10,11. Laten wij dankbaar zijn dat God de volmakende late regen beloofd heeft om een volk voor te bereiden voor de grote dag van God.
Paulus vertelt ons in het grote hoofdstuk over de liefde, dat liefde geen kwaad toerekent. 1.Kor.13:5. De Staten Vertaling zegt: "zij denkt geen kwaad". Beelden wij ons in dat God al onze zonden in een boek opschrijft, dat Hij ze aantekent? "God is liefde", en liefde rekent geen kwaad toe, maakt daar geen aantekening van. De hemelse boeken bevatten een volkomen beeld van onze persoonlijkheid. Dit is noodzakelijk omdat wij bij de opstanding deze persoonlijkheid terug ontvangen.
Laat ons niet denken dat onze God van oneindige liefde degene is die de zonde aantekent. In tegendeel, het is de geest die zondigt die de aantekening van zonde bewaart. "De zonde van Juda staat geschreven met ijzeren stift, gegrift met diamanten spits in de tafel van hun hart…" Jer.17:1.
Degene die gezondigd heeft houdt het besef van zonde. Zelfs de bekeerde mens heeft een besef van zonde. God houdt niet zomaar willekeurig de aantekeningen van zonden bij tot de uiteindelijke verzoening. De aantekeningen in de boeken van de hemel zijn slechts een kopie van de geest, die de aantekening van de zonde draagt. (S.D.A. Bijbelcom. Deel 5, blz. 987.) Wat gebeurt er wanneer de heiligen de late regen ontvangen? Dan zullen ze volmaakt in liefde gemaakt worden. Liefde denkt geen kwaad. Dit betekent dat de verzegelde gelovigen geen kwaad meer zullen denken. De gedachten en de gevoelens over hun zonden in het verleden zullen niet meer in hun geest gevonden worden, omdat zulke gedachten en gevoelens vreemd zullen zijn aan hun nieuwe natuur.
"In die dagen en te dien tijde, luidt het woord des Heren, zal de ongerechtigheid van Israël gezocht worden, maar zij is er niet, en de zonden van Juda, maar zij zijn niet te vinden; want Ik zal vergeving schenken aan wie Ik doe overblijven". Jer.50:20.
"De Heiland heeft zelfs niet door een gedachte toegegeven aan de kracht van de verleiding… In deze toestand zullen ook degenen die in de tijd der benauwdheid stand willen houden, moeten verkeren". (Grote Streit blz. 575).
De verzegelde heiligen zullen zelfs niet door een gedachte hun geest bezoedelen. Liefde denkt geen kwaad.
"Hun zonden zijn al aan het oordeel onderworpen en zijn uitgewist. Daarom kunnen ze zich hun zonden niet meer voor de geest halen". (Idem blz. 572).
Dit betekent niet dat ze aan geheugenverlies lijden, maar zoals ook het verband laat zien, heeft Gods volk geen besef van zonden meer wanneer ze de gebeurtenissen van hun leven overzien. Zij kunnen zich hun zonden uit het verleden (hun verkeerde gedachten en gevoelens) niet voor de geest halen. Liefde denkt geen kwaad.
Diegenen die volmaakt in liefde gemaakt zijn door de zalving van de late regen, zullen zich geen enkele gedachte of gevoel van zonde uit het verleden voor de geest halen. Onze Hogepriester belooft om dit voor ons te doen terwijl Hij dienst doet in het heilige der heiligen. "Ziet toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig hart zij, door af te vallen van de levende God". Hebr.3:12. God heeft, in Zijn goddelijke liefde, de mensheid al gered in de Here Jezus Christus. Het werk van verlossing is in Jezus Christus voltooid. (Jes.40:2; Kol.2:10; Ef.1:3-12 en 2:14-16; Hebr.9:11,12 etc.).
Hij zegt tot Zijn vervreemde volk: "Ik vaag uw overtredingen weg als een nevel en uw zonden als een wolk; keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost. Jubelt, gij hemelen, want de Here heeft het gedaan; juicht, gij diepten der aarde, breekt uit in gejubel, gij bergen, gij woud met alle geboomte daarin, want de Here heeft Jacob verlost en Hij verheerlijkt Zich in Israël". Jes.44:22,23.
Het nieuwe verbond is al verzegeld en volmaakt gemaakt in Hem, door het kostbare bloed van Jezus. Het enige dat nog gedaan moet worden is het uitdelgen van het boze ongelovige hart van de mens. Het volk van God heeft zich nog steeds niet de volledige vervulling van de belofte van het nieuwe verbond gerealiseerd. Zij moeten zich de volle heerlijkheid van de verlossing, die God voor hen volbracht heeft in Christus, nog realiseren.
Het is duidelijk uit de Bijbel dat ongeloof het fundament is van elke zonde (Rom.14: 23). Het was ongeloof dat onze eerste ouders tot overtreders maakte. De mens is van nature achterdochtig tegenover God. Israël had in de woestijn alle reden om God lief te hebben en te vertrouwen, maar hoe wantrouwden zij Hem! Ze mopperden vaak dat Hij hen in de woestijn had gebracht om hen te doden. Liefde denkt geen kwaad, maar zonde wordt veroorzaakt door kwaad te denken over God. Het enige middel tegen onze neiging om kwaad van Hem te denken is het aanschouwen van Zijn karakter van liefde. Het evangelie van Christus moet uit onze geest de duisternis verdrijven van het misverstaan van Zijn karakter. Wanneer de heerlijkheid van Zijn karakter van liefde gezien wordt, wanneer Zijn liefde in al zijn volheid in onze harten schijnt, dan zal elk spoor van ongeloof, van wantrouwen, van vrees, weggevaagd worden. Dan zal zonde voor altijd uit de ervaring van het hart gedelgd worden. Het natuurlijke hart denkt kwaad van God. Het ziet Hem als streng en veeleisend, hard en onbuigzaam. Wanneer iemand zondigt, dan wordt hij getroffen door zijn geweten en hij verbeeldt zich dat God klaar staat om hem te beschuldigen en hem te straffen voor zijn daad, omdat hij God ziet als boos en wraakzuchtig.
Hij roept in zijn geest de gedachte aan dit Heilige Wezen op, dat zo afstandelijk en ver weg is, en dat al zijn misdaden opschrijft en aantekeningen van al het verkeerde tegen hem bijhoudt. Satan vertelt hem dat de Here gehoorzaamheid vraagt omwille van zijn eigen heerlijkheid en omdat Hij zelfzuchtig is zou Hij alles weigeren wat hem gelukkig zou maken. Laten wij ons van deze armzalige voorstelling afkeren, want dit is niets anders dan de schepping van de duivel en van onze vleselijke harten, en laat ons de God aanschouwen die Zich in Jezus Christus geopenbaard heeft. God is liefde. Daarom is 1.Kor.13 een openbaring van Hem. God is geduldig en vriendelijk. Hij is niet jaloers, vervalt niet in grootspraak en is niet trots. Hij kwetst niemands gevoel en handelt niet uit eigen belang. Hij wordt niet verbitterd. God denkt geen kwaad, Hij rekent het kwaad niet aan en houdt geen aantekening van kwaad. Hij verheugt zich niet over het onrecht, maar vindt vreugde in de waarheid. God bedekt alles, Hij gelooft alles – Hij staat altijd klaar om het beste van een ieder te geloven. Hij hoopt alles en verdraagt alles. Hij vergaat nimmermeer. (omschrijving 1.Kor.13; 4-8).
Wat dacht Hij van ons toen wij vol zonde en opstand waren en steeds verder van Hem wegvluchtten en kwaad van Hem dachten? Dacht Hij: "Ik zal ze wel eens straffen…"? Zelfs de engelen konden de goddelijke liefde niet bevatten, want toen de wereld vol verdorvenheid was ten tijde van de eerste komst van Christus "hadden de zondeloze werelden afgewacht of Jehova zou opstaan om de inwoners van de aarde te verdelgen… Maar in plaats van de wereld te vernietigen, zond God Zijn Zoon om haar te redden. Hoewel verderf en vijandschap zichtbaar waren in alle delen van het vreemde gebied, was voorzien in een weg om dit terug te winnen… En toen de volheid des tijds gekomen was, werd de Godheid verheerlijkt door over de wereld een stroom van helende genade uit te storten, die nooit zou ophouden of zou worden teruggetrokken eer het verlossingsplan vervuld zou zijn". (Wens de.Eeuwen blz. 26- E.G.White).
Wat dacht Hij van ons toen wij kwaad van Hem dachten, vol trots en eigenzinnigheid waren? Hoe waren Zijn gedachten over ons terwijl onze gedachten over Hem duisternis waren? Liefde denkt geen kwaad. Hij dacht het allerbeste van ons. Zijn gedachten waren gedachten van vrede en niet van kwaad. Hij bleef liever het beste van ons geloven en het beste van ons hopen, want liefde gelooft alles en hoopt alles, dan kwaad van ons ellendige zondaars te denken. Hij stelde Zichzelf liever in onze plaats dan kwaad te denken. Zo is liefde. Hij rekende ons onze overtredingen niet toe (2.Kor.5:19), maar Hij stelde Zichzelf in onze plaats en Hij droeg onze zondenlast en onze schande in de persoon van Zijn Zoon. Daarom kan Hij tegen allen zeggen: "Draagt elkanders lasten en vervult zo de wet van Christus" Gal.6:2 St. Vert. Hij vraagt ons niet om iets te doen wat Hij niet gedaan heeft.
Liefde verdraagt alles. Hij stelde Zichzelf liever in onze plaats, zonder ons de zonde toe te rekenen, en droeg zelf liever onze zondenlast en schande, dan dat Hij ons de schuld zou geven en kwaad van ons zou denken. "Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden, gerechtigheid Gods in Hem". 2.Kor.5:21. Hij deed dit alles voor ons omdat liefde alles gelooft en alles hoopt. Liefde zag verder dan de duisternis van onze zonden en kon het allerbeste van ons geloven en hopen. God komt bij de zondaar en zegt; "Ik heb een groot geloof in jou".
Het koninkrijk der hemelen wordt vergeleken met een zekere rijke man die één zoon had. Maar die zoon werd vermoord. De rijke man zei: "Ik zal de hele aarde doorzoeken tot ik die man vindt die mijn zoon gedood heeft". Tenslotte vond hij die man. En wat zei hij tegen hem? "Ik wil dat jij mijn zoon bent." Onmogelijk? Nee! Dit is wat God heeft gedaan. Ook al bewijst het kruis dat wij allen schuldig zijn aan de moord op de Zoon van God, toch is de goddelijke liefde zo groot dat het de zonde niet toerekent. Het zoekt geen vrienden, nee, het maakt vrienden. Alle opeengehoopte liefde van de eeuwigheid is overvloedig aan de onwaardige zondige mens gegeven. De mens wordt uitgenodigd om met de Here op de troon van het universum te zitten. Liet God niet zien dat liefde een groot geloof heeft, toen Hij Zijn Zoon – voor eeuwig – aan ons gaf? Er is geen grens aan het geloof van de liefde.
Liefde verwekt liefde en geloof verwekt geloof. Gods volk zal geen kwaad van God denken, nu niet en nooit, wanneer zij het eeuwige evangelie in al haar reinheid en kracht zien. Dat God hen zó kon liefhebben en geen kwaad van hen denken, dat Hij zoveel geloof in hen kon hebben zal een zodanig geweldige openbaring van goddelijke liefde zijn, dat al het ongeloof uit het menselijke hart zal worden uitgedelgd.
"Te dien dage zal in het land Juda dit lied gezongen worden… Vertrouwt op de Here tot in eeuwigheid, want de Here Here is een eeuwige rotssteen".
Wanneer God echt een volk heeft, dat vaststaat in het geloof in Hem en dat geen kwaad meer van Hem denkt, dan zal Hij zich verheugen over een volk dat is zoals Hij is. De zonde zal uitgedelgd zijn uit de ervaring van hun hart. Zulke heiligen zullen nooit meer zondigen, want zij zouden God nooit meer zo wantrouwen dat ze zouden zondigen. Zulke mensen zullen niet falen op de grote dag van toetsing en beproeving, want liefde vergaat nooit.
De gedachten en gevoelens van zonde, die zo lang verbonden waren met de gebeurtenissen van het leven, zullen niet voor de geest gehaald worden. Dit is de ervaring die God voor Zijn kinderen heeft in het reinigen van het heiligdom van Daniël 8:14.
Petrus noemt dit het uitdelgen van zonden. Paulus noemt dit het volmaakt maken van het geweten. Johannes noemt dit het volmaakt maken in liefde die alle vrees en alle twijfel uitdrijft. Johannes noemt dit in de Openbaringen het zegel van de levende God. De profeet Joël noemt het de late regen. Ellen White noemt het de uiteindelijke verzoening. Het is het eeuwige evangelie, volledig geopenbaard, volledig ervaren door diegenen die in de ure van Zijn oordeel leven.
(uit het blaadje "De Hoeksteen" nummer 39) |